Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

Hfdst. VIII § 3

het onderwijs in lichamelijke oefening, aan die scholen, alsmede omtrent het aantal kinderen, dat in die scholen mag worden toegelaten.

Tot uitvoering van art. 6 der wet is tot stand gekomen het koninklijk besluit van 3 Maart 1921 (st.bl. no. 95). (Het bouwbesluit.) In den considerans van dat besluit wordt o. m. overwogen, dat het wenschelijk is, in afwachting eener nadere wettelijke regeling van de lichamelijke oefening, omtrent de inrichting der terreinen voor het onderwijs in lichamelijke oefening aan bovenbedoelde lagere scholen vooralsnog geen in bijzonderheden afdalende voorschriften te geven.

Volgens dat besluit moet alvorens over te gaan tot het stichten, verbouwen of uitbreiden eener school of het inrichten van terreinen voor lichamelijke oefening het gemeente- of schoolbestuur aan den inspecteur van het lager onderwijs overleggen:

a. een uittreksel uit de kadastrale kaart binnen een kring van 200 meter straal rondom het schoolterrein, aanwijzende het perceel met zijn naaste belendingen, zoomede de binnen dien kring gelegen inrichtingen, bedoeld in artikel 2 der hinderwetx);

b. teekeningen op de schaal van 1 tot 500, aangevende het schoolterrein, met de ligging van het schoolgebouw ten opzichte van de windstreken en eventueel ook van het terrein bestemd voor lichamelijke oefening. Van beide terreinen worden tevens de toegangen en afscheidingen op die teekeningen aangegeven. Indien genoemde terreinen te zamen een geheel uitmaken is één teekening voor beide doeleinden voldoende;

c. teekeningen van de plattegronden met aanduiding van de plaatsing der schoolmeubelen, de doorsneden en het uitwendige, alles op de schaal van 1 tot 100 en van de schoolmeubelen op de schaal van ten minste 1 tot 20;

d. het bestek van den bouw;

e. een uitgewerkte begrooting van kosten betreffende den bouw, de meubileering en de verdere inrichting van de lokalen, voor elk dezer onderdeden afzonderlijk;

ƒ. indien een terrein voor lichamelijke oefening wordt ingericht, een uitgewerkte begrooting van kosten betreffende die inrichting.

In geval van verbouwing of uitbreiding eener school is de overlegging der onder c, d en e omschreven stukken voldoende.

Ind ien de school deel uitmaakt van een gebouw of gebouwencomplex, dat. ook voor andere doeleinden bestemd is, worden de onder c, d en e genoemde stukken ten aanzien van de school afzonderlijk overgelegd.

Administratieve voorschriften va net bouwbesluit.

*) Zie hiervoor hoofdstuk XI van deze afdeeling.

Sluiten