Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33

Hfdst. VIII § 4

een mondeling en schriftelijk examen de akte van bekwaamheid als onderwijzer te verkrijgen; aan de adspirant-onderwijzeressen wordt op gelijke wijze de gelegenheid gegeven de akte van bekwaamheid B als onderwijzeres te verkrijgen.

Het examen wordt afgenomen door directeur en leeraren der kweekschool onder toezicht van drie gecommitteerden, door den minister jaarlijks aan te wijzen. Bij verschil van gevoelen tusschen degenen, die het examen hebben afgenomen, en de gecommitteerden omtrent den uitslag van het examen beslissen laatstgenoemden. (Art. 147.)

Aan de kweekelingen der opleidingsscholen wordt aan het einde van het vierde leerjaar gelegenheid gegeven om op grond van het met gunstig gevolg afleggen van een mondeling en schriftelijk examen de akte van bekwaamheid A als onderwijzeres te verkrijgen.

Voor dit examen gelden ongeveer dezelfde regels als voor het eindexamen der kweekscholen.

Naast de gelegenheid om de akten als onderwijzer of onderwijzeres te verkrijgen door een eindexamen van kweekschool of opleidingsschool kunnen deze akten ook verkregen worden door middel van een staatsexamen, waarvoor de wet enkele regels inhoudt en die nog nader uitgewerkt moeten worden bij een koninklijk besluit. Kweekelingen die geen gebruik maken van de gelegenheid om het eindexamen van kweekschool of opleidingsschool af te leggen, worden ook tot deze examens toegelaten.

De akten van bekwaamheid voor bepaalde vakken kunnen niet anders verkregen worden dan door het afleggen van een examen voor een speciaal daarvoor ingestelde commissie of voor een commissie, die krachtens de wet op het middelbaar onderwijs in het leven geroepen is.

De hiervoren aangestipte bepalingen hebben voorshands slechts een beperkte waarde, aangezien een ruime tijd van overgang gegeven is. Tot het inwerking brengen van de bepalingen betreffende het aanvullend staatsexamen (de artt. 134—136) en de opleiding der onderwijzers en onderwijzeressen aan kweekscholen en opleidingsscholen (de artt. 139—171) is een termijn toegestaan welke eerst op 31 December 1935 eindigt. (Artt. 210 en 211).

Totdat die onderwerpen overeenkomstig de nieuwe wet geregeld zijn, blijven gelden de krachtens de wet van 1878 bestaande bepalingen omtrent de examens ter verkrijging van akten van bekwaamheid, zij het dan ook met eenige afwijking, welke echter niet den aard der examens raakt, (art. 210), terwijl de bestaande rijkskweekscholen worden hervormd en nieuwe kweekscholen en opleidingsscholen worden gesticht. De rijksnormaallessen worden binnen den gestelden termijn geleidelijk opgeheven. De bestaande

Adm. recht III 3

Staatsexamens.

De overgangstijd.

Sluiten