Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 4

34

De akten van bekwaamheid in den overgangstijd.

gemeentelijke kweekscholen (nieuwe kunnen niet opgericht worden) kunnen in stand gehouden worden, mits voor 1936 hervormd, en krijgen aanspraak op vergoeding der kosten uit 's rijks kas volgens de regels gesteld voor de bijzondere kweekscholen.

Het eerste lid van art. 209 luidt: „De bezitters van vóór 1 Januari 1921 verworven akten van bekwaamheid of aanteekeningen en zij, die na dien datum in het bezit worden gesteld van andere dan de in de artikelen 134 tot en met 136 vermelde akten van bekwaamheid, behouden de bevoegdheid, welke aan elke dier akten en aanteekeningen is verbonden krachtens de wet van 2 Mei 1863 (st.bl. no. 50), de wet van 1878, de wet van 25 April 1879 (st.bl. no. 87), de artikelen 6 en 8 der wet van 8 December 1889 (st.bl. no. 175), de wet van 18 Augustus 1910 (st.bl. no. 260) en artikel XIV der wet van 24 Juni 1916 (st.bl. no. 297).

Art. 77 der wet van 1878 kende drie soorten van akten van bekwaamheid: a. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en schoolonderwijs in de vakken, vermeld onder a—i van art. 2 dier wet en tevens bevoegdheid kan verleenen tot het geven van huis- en schoolonderwijs in een der vakken of in beide vakken, aldaar genoemd onder en k'< b. die, waarvan het bezit met den rang van hoofdonderwijzer de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en schoolonderwijs niet alleen in de vakken vermeld onder a—i, maar ook in die genoemd onder o en q en tevens bevoegdheid kan verleenen tot het geven van huis- en schoolonderwijs in een der vakken of in beide vakken genoemd onder j en k; c. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het geven van huisonderwijs, of tot het geven van huis- en schoolonderwijs in bepaalde vakken. Hierbij moet opgemerkt worden, dat de aanduiding der vakken, in art. 2 der wet 1878 vrijwel, zij het dan ook met veranderde omschrijving voor zooveel de letters a—n betreft overeenkomt met art. 2 der tegenwoordige wet. Vak o betreft de beginselen der algemeene geschiedenis en q het handteekenen. Volgens art. 106 der wet van 1878 worden nog verschillende akten van bekwaamheid onder vroegere wetgeving verkregen met de genoemde gelijk gesteld. Voor de praktijk heeft deze bepaling grootendeels haar waarde verloren.

Door de veranderde omschrijving moest in art. 209, tweede lid, der lageronderwijswet 1920 bepaald worden, dat de bezitters van vóór 1 Januari 1921 verworven akten van bekwaamheid of aanteekeningen, welke bevoegdheid geven voor het onderwijs in het handteekenen, en zij, die na dien datum in het bezit van een dergelijke akte worden gesteld, bevoegd zijn tot het geven van onderwijs in het vak, vermeld onder i in artikel 2 (teekenen).

Sluiten