Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 4

38

Strafbepalingen voor nel optreden als onderwijzer zonder daartoe bevoegd te zijn.

werkzaamheden in de school gebezigd werden dan de zoodanige, welke rij onder het toezicht en de leiding van een in hetzelfde schoolyertrek aanwezigen bevoegde verrichtten en c. na drie maanden als kweekeling geplaatst te zijn geweest, in het bezit waren van een door den arrondissementsschoolopziener (thans den inspecteur) schriftelijk goedgekeurd bewijs niet ouder dan een jaar en afgegeven en onderteekend door het hoofd der school, waarin zij tijdens de afgifte waren toegelaten, dat hun zedelijk gedrag en hun vorderingen voldoende waren. Over de toelating van een kweekeling werd geheel zelfstandig door het hoofd der school zonder inmenging van den raad of van burgemeester en wethouders beslist. Het hoofd der school was alleen verplicht daarvan minstens drie dagen te voren schriftelijk kennis te geven aan den arrondissementsschoolopziener (thans den inspecteur). Evenmin als van een aanstelling kon er bij een kweekeling ook van een ontslag sprake zijn. Als het onder c hiervoren genoemde stuk drie maanden na de toelating niet afgegeven was, of verjaard was, moest de kweekeling de school weer verlaten.

Het hoofd der school, die in strijd met deze bepalingen kweekelingen in zijn school toeliet was strafbaar volgens art. 9 der wet van 1878.

Art. 34 dier wet bepaalde nog dat, wanneer in een gemeenteschool jongelieden in het bezit der onderwijsakte op den voet van art. 8 als-kweekelingen waren toegelaten, deze bij schorsing, ontslag, ontstentenis of tijdelijke afwezigheid van een onderwijzer in die school, op aanwijzing van het hoofd, bevoegd en verplicht waren tot de waarneming der opengevallen plaats tot overeenkomstig de regels gegeven voor de waarneming eener onderwijzersplaats daarin was voorzien.

. Deze bepalingen der wet van 1878 hebben ook thans nog waarde, daar art. 191 der lager-onderwijswet 1920 dienaangaande voorzieningen getroffen heeft voor den overgangstijd. In dat artikel is bepaald, dat tot en met 31 December 1931 kweekelingen op den voet van de artikelen 8 en 9 der wet van 1878 in de school kunnen worden toegelaten.

Met betrekking tot dezen en tot de kweekelingen, die bij het in werking treden dezer wet toegelaten zijn, blijven de bepalingen der genoemde artikelen 8 en 9 en die van artikel 34 der wet van 1878 van toepassing tot en met 31 December 1935.

De sanctie voor de verbodsbepaling om op te treden als onderwijzer zonder daartoe bevoegd te zijn vindt men in art. 436 van het wetboek van strafrecht, luidende:

„Hij die, niet toegelaten tot uitoefening van een beroep, waartoe de wet een toelating vordert, buiten noodzaak dat beroep uitoefent, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Sluiten