Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45

Hfdst. VIII § 5

heeft dus ook geen aanspraak op vergoeding uit de openbare kas voor het geven van godsdienstonderwijs aan de leerlingen der openbare lagere scholen.

In het artikel ligt natuurlijk geen verplichting voor een kerk om onder schooltijd godsdienstonderwijs te doen geven, evenmin voor de schoolkinderen om dat onderwijs te volgen.

Het zal dus noodig zijn in het leerplan, waarin het godsdienstonderwijs overigens niet geregeld wordt, eenige voorziening te treffen voor het geval, dat het godsdienstonderwijs op de daarvoor op den rooster gebrachte uren niet gegeven wordt.

Onder voorwaarden, door burgemeester en wethouders na overleg met den inspecteur te bepalen, worden de schoollokalen, zoo noodig verwarmd en verlicht, kosteloos voor dit godsdienstonderwijs beschikbaar gesteld

Bij verschil omtrent het vrij geven of het beschikbaar stellen van de bedoelde uren en lokaliteiten tusschen hen, die daartoe moeten medewerken, beslist de minister, den onderwijsraad gehoord. (Art. 26, tweede en derde lid, der wet.)

Hierbij zij nog aangeteekend, dat volgens art. 31 van het schooltoezichtbesluit (koninklijk besluit van 6 November 1920, no. 36) zoo dikwijls krachtens de artt. 25 en 26 der wet de beslissing van den minister wordt ingeroepen, de inspecteur aan dezen de stukken moet zenden met een beredeneerde toelichting. Zoodra 's ministers beslissing hem is bericht, brengt hij die onmiddellijk ter kennis van belanghebbenden.

Volgens het vierde lid van art. 26 der wet worden voor de toepassing van dit artikel met kerkelijke gemeenten gelijkgesteld vereenigingen, welke zich met het geven van godsdienstonderwijs aan schoolgaande kinderen belasten, en dit ter kennis van het gemeentebestuur hebben gebracht, mits deze vereenigingen voldoen aan bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen eischen. Dit besluit is thans (Juli 1921) nog niet verschenen. Gedurende de openbare beraadslaging in de tweede kamer over het ontwerp van wet zijn voor de openbare scholen de oudercommissies in de wet opgenomen. In art. 20* is dienaangaande bepaald, dat aan elke openbare lagere school of aan openbare lagere scholen van dezelfde soort in een gemeente een oudercommissie wordt verbonden. Bij algemeenen maatregel van bestuur moeten de inrichting, de samenstelling, de bevoegdheden en de wijze van verkiezing, den onderwijsraad gehoord, geregeld worden.

Hieraan is uitvoering gegeven bij koninklijk besluit van 31 December 1920 (st.bl. no. 951). Volgens dit besluit wordt voor elke school of voor twee scholen derzelfde gemeente gezamenlijk — in het laatste geval, indien het totaal aantal leerlingen 200 niet te boven gaat — een oudercommissie ingesteld.

De oudercommissies.

Sluiten