Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 6

48

Geen

ambulante

hoofden.

school kan echter tijdelijk worden toevertrouwd aan een onderwijzer, in het bezit der akte, bedoeld in art. 77, onder a, der wet van 1878, mits aan de school geen onderwijzer in het bezit van den hoofdonderwijzersrang verbonden is. Zoodanige waarneming mag niet langer duren dan zes maanden. Hoewel dit niet uitdrukkelijk bepaald is, zal een onderwijzer zonder hoofdakte ook niet als plaatsvervangend hoofd mogen optreden als aan de school een onderwijzer met de akte art. 134 verbonden is, daar de blijkbare bedoeling is de uitzondering alleen te laten gelden als er geen onderwijzer aanwezig is, die de bevoegdheid bezit om hoofd der school te zijn.

Vooral voor dezen overgangstoestand is van belang op te merken, dat de eenige eisch, welke de wet aan de hoofden der scholen stelt is, dat het hoofd 25 jaar zij en als hij niet de nieuwe onderwijzersakte bezit de akte van hoofdonderwijzer volgens de wet van 1878 moet hebben zoodat een onderwijzer, die niets heeft dan de hoofdakte, toch ook bevoegd is aan het hoofd eener school te staan, waar ook een. of meer der vakken, in art. 2 onder f-a genoemd, onderwezen worden, hoewel hij dan in die vakken zelf geen onderwijs mag geven. Voor hoofden met de nieuwe onderwijzersakte geldt deze opmerking met betrekking tot de vakken k- (nuttige handwerken voor meisjes), p. handelskennis, s. landbouwkunde, t. tuinbouwkunde en u. fraaie handwerken voor meisjes.

In de memorie van toelichting werd opgemerkt, dat het in het algemeen niet wenschelijk is de waarneming van het bestuur eener school aan een hulponderwijzeres met akte art. 135 op te dragen. Aan scholen, waaraan behalve het hoofd enkel een zoodanige onderwijzeres verbonden is, zal het echter kunnen voorkomen, dat zonder uitstel vervanging van het hoofd noodig is. Alsdan moet de eenige aanwezige leerkracht voor korten tijd kunnen optreden, opdat er de gelegenheid zij een waarnemer van buiten aan te wijzen. ,,

De ambulante hoofden, die onder de wet 1878 zoo welig getierd hebben doch in het laatst ook al aan het uitsterven waren, zijn door het vierde lid van art. 27 afgeschaft door daar voor te schrijven, dat aan den onderwijzer, aan het hoofd eener school geplaatst, tevens het onderwijs eener klasse moet opgedragen worden. Van deze verplichting kan echter de minister, den onderwijsraad gehoord, in bijzondere omstandigheden vrijstelling

verleenen. , .... , , i

Als bijzondere omstandigheden hier bedoeld zijn bij de behandeling der wet genoemd een groote school met veel jonge leerkrachten en veel balsturige kinderen. Indien er geen andere bijzondere omstandigheid te vinden is, dan zal het ambulantisme ondanks de mogelijkheid om het met ministerieele vergunning te handhaven, wel tot het verleden behooren.

Sluiten