Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

53

Hfdst. VIII § 6

In het voorloopig verslag der eerste kamer werd de vraag gesteld of het de bedoeling van het vierde lid van art. 193 is, dat art. 28, lid 1 tot en met 4, niet voor 1 Januari 1926 mag worden toegepast, omdat tot dien datum de wet van 1878 per se van kracht blijft, of dat in ieder geval art. 28 in 1926 moet zijn toegepast, en zoolang dit niet eerder het geval is, de wet van 1878 blijft gelden. De minister heeft daarop geantwoord, dat dit lid beoogt de geleidelijke invoering van de nieuwe bepalingen betreffende het aantal volgens art. 28 verplichte onderwijzers. De tweede volzin nu heeft geen andere beteekenis dan vast te leggen, dat gedurende den overgangstermijn de overeenkomstige bepalingen van art. 24, eerste en tweede lid, der tegenwoordige wet van kracht blijven zoolang nog niet aan de nieuwe eischen wordt voldaan, doch niet langer dan tot 1 Januari 1926. Juist in verband hiermede wordt in het derde lid van art. 201 x) bepaald, dat voor onderwijzers, die gedurende den overgangstermijn boven het in art. 24 der wet van 1878 verplichte aantal aan een school zijn verbonden, de rijksvergoeding zal worden verleend, ook al beantwoordt het totaal aantal leerkrachten nog niet aan art. 28 der nieuwe wet.

De benoeming der onderwijzers aan de openbare scholen voor gewoon en voor uitgebreid lager onderwijs is geregeld bij de artt. 35 en 36 der wet. Om als onderwijzer benoemd te kunnen worden, wordt het bezit vereischt van: a. een akte van bekwaamheid; b. een getuigschrift van zedelijk gedrag, afgegeven door den burgemeester der gemeente, of de burgemeesters der gemeenten, waar hij, aan wien het wordt uitgereikt, in de laatste twee jaren gewoond heeft; c. een getuigschrift van zedelijk gedrag bij weigering van een der burgemeesters verleend door den commissaris der Koningin in de provincie. Met zoodanig getuigschrift wordt gelijkgesteld het getuigschrift van zedelijk gedrag, afgegeven door de bevoegde overheid buitenslands, onder welker gebied de bezitter in de laatste twee jaren heeft gewoond.

Een poging in 1920 aangewend om daar als derde stuk aan toe te voegen een geneeskundige verklaring, dat de gezondheidstoestand van den candidaat hem niet tot de vervulling van het onderwijzersambt ongeschikt maakt, is mislukt. Men meende dat het beter is lichamelijk ongeschikten niet voor de opleiding aan te nemen.

De hoofden van scholen en de andere onderwijzers, aan de gemeentescholen verbonden, worden door den gemeenteraad benoemd. De benoe- ! ming van den onderwijzer, aan het hoofd eener school geplaatst, geschiedt ' uit een voordracht van zoo mogelijk ten minste drie bevoegden — waarmede \ —'■ t

*) Zie de paragraaf handelende over de kosten van het openbaar lager onderwijs. c

Stukken, welke noodig zijn voor de benoeming tot onderwijzer.

Benoeming ran hoofden 'an scholen ut een voortracht van oo mogelijk en minste Irie bevoeg-

Sluiten