Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55

Hfdst. VIII § 6

welke zich nu moet uitstrekken tot alle bevoegden. Heeft de herhaalde oproeping geen gunstig gevolg, zoo kan een derde oproeping geschieden. Indien ook na de derde oproeping zich minder dan drie personen aanmelden, wordt voortgegaan met de voorbereidende werkzaamheden om tot een voordracht te geraken. Dan eerst wordt aangenomen dat het niet mogelijk is een voordracht van drie bevoegden op te maken.

De wet van 1878 schreef voor, dat de voordracht opgemaakt moest worden door burgemeester en wethouders en den districts-schcolopziener. In plaats van het woordje „en" is thans gebruikt de uitdrukking „in overeenstemming met". Ook daardoor is echter feitelijk niets veranderd; immers ook voor de wet van 1920 gold het voorschrift, dat indien burgemeester en wethouders en de inspecteur (toen de districtsschoolopziener) niet tot overeenstemming kunnen geraken aan de benoeming een vergelijkend onderzoek naar de geschiktheid der candidaten moet voorafgaan.

Omtrent de wijze, waarop getracht moet worden tot overeenstemming te komen, vindt men in het hierboven aangehaalde koninklijk besluit van 31 December 1920 nog, dat de inspecteur, nadat hij omtrent het gedrag, de praktische geschiktheid en den dienstijver der candidaten inlichtingen heeft ingewonnen, in overleg moet treden met burgemeester en wethouders, ten einde tot de noodige overeenstemming betreffende het opmaken der voordracht te komen. Heeft dit overleg ten gevolge, dat de inspecteur zich buiten zijn ambtsgebied moet begeven, dan geniet hij ten laste van de gemeente vergoeding van reis- en verblijfkosten volgens het tarief der derde klasse A van het reisbesluit 1916. Komen burgemeester en wethouders eenerzijds en de inspecteur anderzijds niet tot de gevorderde overeenstemming, dan wordt het vergelijkend onderzoek ingesteld.

Daartoe wordt — indien nog geen oproeping heeft plaats gehad of alleen Het verg* een oproeping met beperkende voorwaarden — een oproeping van alle ^1aai bevoegden gedaan. onderzoek.

Zoo zich meer dan zes bevoegden voor het vergelijkend onderzoek aanmelden, dan kunnen burgemeester en wethouders in overeenstemming met den inspecteur bepalen, welke candidaten, mits niet minder dan zes, daaraan zullen worden onderworpen. Bij gemis aan overeenstemming omtrent de keuze der op te roepen personen, worden alle candidaten, die zich hebben aangemeld, tot het onderzoek toegelaten. Ingeval de benoeming na voorafgaand vergelijkend onderzoek plaats heeft, wordt de voordracht, .bestaande uit zoo mogelijk minstens drie bevoegden, door burgemeester en wethouders na overleg met den inspecteur opgemaakt, en door dezen met een schriftelijk, met redenen omkleed advies omtrent de voorgedragen candidaten aan den raad gezonden. Tot uitvoering van het zesde lid van art.

Sluiten