Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59

Hfdst. VIII § 6

niet-eervol ontslag te moeten verleenen, zoo zal hij het verzoek moeten afwijzen en ambtshalve op voorstel van burgemeester en wethouders of van den inspecteur moeten ontslaan. Een verzoek om eervol ontslag te beantwoorden met een niet-eervol ontslag ware toch iets anders toestaan dan gevraagd werd. Daarom wordt niet van op maar overeenkomstig eigen verzoek gesproken 1). In een missive van den minister van binnenlandsche zaken van 10 November 1899 2) wordt een eenigszins afwijkende meening voorgestaan. Volgens het gevoelen van den minister is het niet in strijd met art. 30 (thans art. 38), eerste lid, letter a, der wet, dat de raad den onderwijzer op eigen verzoek heeft ontslagen, zonder er uitdrukkelijk bij te voegen, dat het ontslag eervol is, terwijl de onderwijzer eervol ontslag heeft gevraagd. De tegenwoordige wet kent slechts twee soorten van ontslag, n.1. „ontslag" en „niet-eervol ontslag". Wordt eervol ontslag gevraagd, dan mag de raad overeenkomstig eigen verzoek ontslag verleenen, of daarbij gevoegd zal worden, dat het ontslag op eervolle wijze, op de meest eervolle wijze, met dankbetuiging voor de bewezen diensten enz. verleend zal worden blijft in het geval van art. 30 (thans art. 38), alinea 1, letter a, geheel aan het oordeel van den raad overgelaten. Zooals reeds is opgemerkt, achten wij deze leer niet juist. Wanneer ambtshalve ontslag wordt gegeven, kan volgens de uitdrukkelijke bepaling van de tweede alinea van art. 38 een niet-eervol ontslag worden verleend, doch het is niet bepaald noodzakelijk het ontslag niet-eervol te verleenen, er kan ook wel eenvoudig ontslag, zelfs eervol ontslag worden gegeven. Voor het beroep gelden dezelfde bepalingen als bij schorsing.

Als in gevallen, dat het ontslag noodzakelijk is, het niet overeenkomstig de bovenstaande bepalingen gegeven wordt, kunnen onderwijzers volgens het bepaalde bij art. 40 op voordracht van den inspecteur ook door gedeputeerde staten, doch dan slechts niet-eervol worden ontslagen 8).

Aan onderwijzers, verbonden aan een school, uitsluitend door het rijk bekostigd, wordt, hetzij overeenkomstig eigen verzoek hetzij ambtshalve ontslag verleend door den minister.

Bepalingen van plaatselijke verordeningen, waarbij gezegd is, dat het intreden van zeker feit aanleiding tot ontslag kan zijn of aangemerkt" zal worden als een aanvraag om ontslag, zijn, het volgt duidelijk uit het voor. gaande, in strijd met de wet 4).

) Zie de memorie van toelichting 1878. 2) Weekbl. burg. adm. no. 2679.

) Voor het verlies der bevoegdheid tot het geven van onderwijs zie men bladz. 36 en 37.

). Zie o.a. de koninklijke besluiten van 22 Maart 1906 (st.bl. no. 51); 9 November 1906 (stbl no. 280); 2 Maart 1907 (stil. no. 64); 12 Juni 1907 (st.bl. no. 146); 29 Januari 1909 (stbl. no. 19)5 Juni 1915 (stbl. no. 233); 23 Feb ruari 1916 (st.bl. no. 80).

Het ontslag door gedeputeerde staten of door den minister te verleenen.

Bepalingen ^an plaatselijke verordeningen en het jntslag der onderwijzers.

Sluiten