Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61

Hfdst. VIII § 6

kostigd, geschiedt door den minister1). Wanneer in een gemeenteschool jongelieden in het bezit der onderwijzersakte als kweekelingen zijn toegelaten, waren deze volgens art. 34 der wet van 1878 bij schorsing, ontslag, ontstentenis of tijdelijke verhindering van een onderwijzer in die school op aanwijzing van het hoofd bevoegd en verplicht tot de waarneming der opengevallen plaats, zoolang niet door burgemeester en wethouders in de waarneming is voorzien. Volgens art. 191 der tegenwoordige wet kunnen tot en met 31 December 1931 kweekelingen in de school worden toegelaten. Met betrekking tot deze kweekelingen blijven de bepalingen van art. 34 der wet van 1878 van toepassing tot en met 31 December 1935, zoodat dit art. 34 voor de praktijk nog van belang is. Bij deze bepaling van art. 34 wordt uitgegaan van de veronderstelling, dat een onderwijzersbetrekking ook nog waargenomen kan worden, gedurende den tijd, welke tusschen de schorsing, het ontslag, het ontstaan der ontstentenis of de tijdelijke verhindering en de voorziening volgens art. 41 verloopt. Alleen voor het eene geval, in dit art. 34 genoemd, bevat de wet daarvoor eenige voorziening, zij het dan ook krachtens een overgangsbepaling, terwijl toch ook in andere gevallen, vooral als het een hoofd der school betreft zoodanige voorziening noodig kan zijn. Ik sluit mij grootendeels aan bij de redactie van het tijdschrift ter beoefening van het administratief recht, die in de jaargangen 1900 en 1901 van dat tijdschrift2) betoogt, dat geen enkele bepaling den raad belet den man aan te wijzen, die in dit geval optreedt tot art. 41 is opgevolgd. Doch ik zou mij niet durven beroepen op art. 134 der gemeentewet. Neen, voor zoodanige voorziening moet ook art. 36 der wet op het lager onderwijs toegepast worden. Als er maar in geen enkel opzicht van die regels afgeweken wordt, is er geen bezwaar tegen aan te voeren, dat, voordat verhindering aanwezig is of een vacature bestaat, een onderwijzer aangewezen wordt om op te treden, totdat art. 41 is toegepast of in de vacature is voorzien.

Wij zijn genaderd tot art. 42, het vaak veroordeelde en even vaak met Neutraliteit, hartstochtelijke liefde gekoesterde artikel, dat de neutraliteit van het openbaar lager onderwijs moet verzekeren. Art. 42 luidt: „Het schoolonderwijs wordt onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen, aan hun lichamelijke oefening en aan hun opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden. De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten wat strijdig is met den eerbied verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden. Wij kunnen

H Art. 41.

*) Zie jaargang 1900, bladz. 256 en jaargang 1901, bladz. 59 en 60.

Sluiten