Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

Hfdst. VIII § 6

Het is den onderwijzer aan de openbare scholen voor gewoon en uitge- Wat den breid lager onderwijs, met uitzondering van hen, die uitsluitend onderwijs onderwijzer r J ii- ->i 111,7 verboden is,

geven in een ot meer der vakken in art. 2 der wet vermeld onder h—k en

r—u *), verboden handel te drijven of eenige nering of beroep, behalve het geven van onderwijs, uit te oefenen. Van dit verbod kan geen dispensatie • verleend worden. Ook is het hun, weer met uitzondering der genoemde vakonderwijzers, verboden ambten of bedieningen te bekleeden, voor zoover deze niet zijn van kerkdijken of daarmede gelijk te stellen aard, of te gedoogen, dat te hunnen huize handel of nering gedreven of eenig beroep, behalve het geven van onderwijs, uitgeoefend wordt door de leden van hun gezin; hiervan kan evenwel vrijstelling worden verleend door gedeputeerde staten, den inspecteur gehoord. Zij, die deze verbodsbepalingen overtreden, worden volgens de regels op bladz. 58 en 59 behandeld, ontslagena). Voor de vele, soms tegenstrijdige beslissingen, waartoe deze wetsbepalingen aanleiding gegeven hebben, zie men bij voorkomende gevallen een der bestaande uitvoerige commentaren op de wet ter regeling van het lager onderwijs. Hier alleen nog slechts een paar opmerkingen.

Art. 44 der wet zondert van het verbod aan den openbaren onderwijzer om eenig beroep uit te oefenen uitdrukken^ en zonder eenige beperking uit het geven van onderwijs, zoodat zijn recht om onderwijs te geven, 'ook niet bij plaatselijke verordening mag beperkt worden 8) voor die uren, waarin de onderwijzer geen diensten voor de gemeente te presteeren heeft.

Bij koninklijk besluit van 21 Januari 1902, no. 18, is overwogen, dat in art. 38 (thans art. 45) der wet volgens het Nederlandsch taaleigen aan de uitdrukking „bediening" geheel dezelfde algemeene beteekenis valt te hechten als door het meer dagelijks voorkomende spraakgebruik aan het woord „betrekking" wordt toegekend, terwijl noch de herkomst, noch de blijkbare bedoeling dezer wetsbepaling eenigen grond opleveren voor de juistheid der aan het bestreden besluit ten grondslag liggende meening, dat onder bedoeld verbod slechts het bekleeden van zoodanige betrekkingen zou zijn te begrijpen als door een burgerlijke of kerkelijke overheid zou zijn opgedragen en niet op een contractueele rechtsverhouding berustende.

') Art. 53 der wet.

2) Zie de artt. 44 en 45 der wet.

8) Zie het koninklijk besluit van 20 Februari 1884 (st.bl. no. 33). Vergelijk ook weekbl. burg. aam. no. 2672.

Sluiten