Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 7

66

\

Het

bezoldigingsbesluitburgerlijke rijksambtenaren 1920.

memorie van antwoord opgemerkt: „De regeling van de salarissen der vakonderwijzers blijft aan de gemeentebesturen overgelaten. De dienst dezer onderwijzers is in de onderscheidene gemeenten zoo verschillend geregeld, dat een algemeene salarisregeling geen aanbeveling verdient." De gemeenteraad (en hier niet burgemeester en wethouders x))zal ingevolge de bepalingen der gemeentewet hun bezoldigingen kunnen vaststellen zonder door de lager-onderwijswet 1920 aan eenige beperking gebonden te zijn, doch deze bezoldigingen zullen ook geheel zonder eenige bijdrage van het rijk ten laste der gemeente komen, terwijl de gemeente ook ter zake van het aanstellen van vakonderwijzers geen uitkeering aan besturen van bijzondere scholen verschuldigd is.

De algemeene maatregel van bestuur bedoeld onder 1 °., 2°. en 4 . op bladz. 65 hiervoren is het bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1920, voor het regelen der bezoldiging van de onderwijzers gewijzigd en aangevuld bij koninklijk besluit van 16 December 1920 (st.bl. no. 899), terwijl het koninklijk besluit van 31 December 1920 (st.bl. no. 949) regelt de wijze van uitbetalen der jaarwedde en wedde van de onderwijzers aan de openbare lagere scholen, bedoeld in art. 30, derde lid, der lager-onderwijswet 1920 en tot het stellen van regelen betreffende verlof tot afwezigheid en inhouding van die jaarwedden of wedde bij dat verlof.

Hoewel de jaarwedden en de wedden 2) der onderwijzers geregeld zijn door en krachtens het bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1920, gelden toch slechts eenige bepalingen van dat besluit voor de onderwijzers. Bij het koninklijk besluit van 16 December 1920 (st.bl. no. 899) zijn in het bezoldigingsbesluit ingelascht de artt. 41a en 41 b.

Bij art. 41a zijn gerekend van 1 Januari 1920 16 artikels van dat besluit geheel of voor een gedeelte van toepassing verklaard op de hoofden en onderwijzers zoowel de voor vast aangestelden als die met de tijdelijke waarneming belast zijn van het openbaar en het bijzonder gewoon lager en uitgebreid lager onderwijs, terwijl bij art. 41 b 7 artikels van dat besluit geheel of voor een gedeelte van toepassing verklaard zijn voor het openbaar en het bijzonder vervolgonderwijs.

Volgens het voor de onderwijzers van toepassing verklaarde eerste lid van art. 1 van het bezoldigingsbesluit wordt de bezoldiging van de burgerlijke rijksambtenaren vastgesteld op de bedragen, in de bijlagen A, B en C voor ieder ambt aangewezen. Aan bijlage B is bij het besluit 16 December

*) Van^edde wordt, in afwijking van jaarwedde gesproken waar het de belooning betreft voor de tijdelijke waarneming van een betrekking.

Sluiten