Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 7

70

Vaststelling der

salarissen door

burgemeester en

wethouders.

Onthouding van een periodieke verhooging.

niet van toepassing in de gevallen, waarin aan een onderwijzer het verrichten van werkzaamheden door of van wege den minister is opgedragen, en in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift aan een onderwijzer het bezoeken van de school verbiedt. .

Met inachtneming van de regels der wet en van het bezoldigingsbesluit voor zoover die van toepassing zijn, stellen burgemeester en wethouders de jaarwedden en wedden der onderwijzers, alsook de belooning voor het geven van vervolgonderwijs, vast. (Artt. 32 en 34 der wet.)

Er is reeds op gewezen, dat het vaststellen der bezoldigingen door burgemeester en wethouders geheel iets anders is, dan het vaststellen der salarissen, dat de wet 1878 voor de wijziging bij de wet van 14 Juli 1919 (st.bl. no. 493) aan den raad opdroeg. Burgemeester en wethouders hebben mets anders te doen dan voor ieder onderwijzer individueel vast te stellen het bedrag, waarop hij volgens wet en besluit recht heeft Indien zi, daarbij een te hoog of te laag bedrag vaststellen, hebben zij een fout gemaakt, welke hersteld kan en moet worden, door het te veel betaalde terug te vorderen en het te weinig betaalde alsnog uit te keeren.

Art. 32, tweede lid, der wet zegt, dat burgemeester en wethouders in overeenstemming met den inspecteur onder goedkeuring van gedeputeerde staten beslissen, dat een verhooging van jaarwedde wegens dienstjaren met wordt toegekend. Zij doen den belanghebbende schriftelijk mededeeling van de gronden, waarop deze beslissing berust. Zij zijn echter bevoegd te bepalen, dat deze verhooging, nadat ten minste een jaar verstreken is, alsnog wordt toegekend. De beteekenis van dezen laatster, zin wordt verduidelijkt door het volgende uit de memorie van toelichting: „Meenen burgemeester en wethouders later op hun besluit te mogen terugkomen, dan dient hun bevoegdheid toch in zoover te worden beperkt, dat belanghebbende althans gedurende een jaar zijn verhooging zal blijven

derven. , ,

Door op de beslissing van burgemeester en wethouders goedkeuring van gedeputeerde staten te vorderen, is aan den belanghebbende volgens het bepaalde bij art. 17 der wet (zie bladz. 20) ook beroep op de Kroon

gegeven. t , ,. . ,. .

Aangezien de wet spreekt van een verhooging kan elke beslissing van burgemeester en wethouders niet meer dan de verhooging betreffen, welke aan de orde is. ,

Wordt bijv. beslist, dat de derde verhooging van ƒ 1800,- op ƒ l*W, wegens het volbrengen van 5 dienstjaren niet zal worden toegekend, dan komt de betrokkene toch, ook al wordt op de beslissing niet teruggekomen, bij het bereiken van een zevenjarigen diensttijd in het genot van een jaar-

Sluiten