Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

73

Hfdst. VIII § 7

een onderwijzer ten aanzien van eenig vak uit meerderen hoofde bevoegdheid bezit, alleen in aanmerking wordt genomen de bevoegdheid op grond waarvan de hoogste verhooging kan worden genoten.

De jaarwedde van den onderwijzer, die niet in het bezit is van de akte van bekwaamheid, bedoeld in art. 134 der lager-onderwijswet 1920 (de hierboven in de kolommen 4 en 5 genoemde cijfers), wordt verhoogd;

a. indien hij op den voet der vóór de inwerkingtreding van de lageronderwijswet 1920 geldende bepalingen de bevoegdheid bezit tot het geven van onderwijs in de nuttige handwerken voor meisjes, de Fransche, de Duitsche of de Engelsche taal of de wiskunde of in het bezit is van een akte van bekwaamheid voor huis- en schoolonderwijs, als bedoeld in art. 86 der wet van 17 Augustus 1878 (st.bl. no. 127), in de beginselen der landbouwkunde, der tuinbouwkunde of der handelskennis of van een akte van bekwaamheid voor school- en huisonderwijs, als bedoeld in art. 136 der lager-onderwijswet 1920, in de nuttige handwerken voor meisjes, handelskennis, handenarbeid, landbouwkunde of tuinbouwkunde, voor elk vak, waarvoor hij de bevoegdheid heeft met ƒ 100,—

b. indien hij een akte van bekwaamheid voor school- en huisonderwijs, als bedoeld in art. 136 der lager-onderwijswet 1920, in de Fransche, de Duitsche of de Engelsche taal bezit, voor elke akte met ƒ 200,—;

c. indien hij een academischen graad of een akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs, behalve voor teekenen, schoonschrijven, boetseeren, gymnastiek en staathuishoudkunde, bezit, voor elke graad of akte met ƒ 300,—.

De in dit punt bedoelde verhoogingen worden voor niet meer dan drie vakken toegekend met dien verstande, dat, indien een onderwijzer ten aanzien van eenig vak uit meerderen hoofde bevoegdheid bezit, alleen in aanmerking wordt genomen de bevoegdheid, op grond waarvan de hoogste verhooging kan worden genoten.

De onderwijzer, die hoofd is eener school voor gewoon lager onderwijs, geniet als zoodanig een verhooging van zijn jaarwedde van ƒ 700,— (boven de hiervoren in de kolommen 2 en 5 genoemde cijfers). Heeft de school 180 of meer leerlingen, dan bedraagt deze verhooging ƒ 100,— meer, met dien verstande, dat zoolang het hoofd aan die school verbonden blijft vermindering van het aantal leerlingen geen vermindering van jaarwedde ten gevolge heeft en derhalve alsdan laatstbedoelde verhooging gehandhaafd blijft, zoolang niet uit anderen hoofde een verhooging tot ten minste hetzelfde bedrag wordt verkregen.

De marge voor hoofden vanf scholen.

) Zie hetgeen omtrent de vakken handelskennis en handenarbeid is opgemerkt op bladz. 35; zie ook art. 209 der wet.

Sluiten