Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hrosr. VIII § 7

74

De marge voor de, onderwijzers (geen

hoofden) van scholen voor

U.I.O.

Diensttijd voor de periodieke verhoog ing der

jaarwedden.

De onderwijzer, die hoofd is eener school voor uitgebreid lager onderwijs, als bedoeld in het vierde lid van art. 3 der lager-onderwijswet 1920 (zie bladz. 17) of eener school voor meer uitgebreid lager onderwijs als bedoeld in het vierde lid van art. 2bü der wet van 17 Augustus 1878 (st.bl. no. 127) en in het tweede lid van art. 193 der lager-onderwijswet!^ (zie bladz. 17), geniet als zoodanig een verhooging van zijn jaarwedde van ƒ 1100 — (boven de hiervoren in de kolommen 2 en 5 genoemde cijfers). Heeft de school voor uitgebreid lager onderwijs of hebben de zevende en hoogere leerjaren van de school voor meer uitgebreid lager onderwijs te zamen 70 of meer leerlingen, dan bedraagt deze verhooging ƒ100 — meer, met dien verstande, dat, zoo lang het hoofd aan die school verbonden blijtt, vermindering van het aantal leerlingen geen vermindering van Jaarwedde tengevolge heeft en derhalve alsdan laatstbedoelde verhooging gehandhaaid blijft, zoolang niet uit anderen hoofde een verhooging tot ten minste hetzelfde bedrag wordt verkregen. ••>•;

De onderwijzer in een school voor uitgebreid lager onderwijs, zoomede de onderwijzer van de klasse van het zevende of een hooger leerjaar van een school voor meer uitgebreid lager onderwijs, als hierboven voor de marge der hoofden van deze scholen bedoeld, geniet als zoodanig een verhooging van zijn jaarwedde van ƒ 500, .

Met moet er wel op letten, dat alleen de onderwijzer van het zevende of een hooger leerjaar deze verhooging krijgt. Geeft een onderwijzer eener zesde of lagere klasse van een zoodanige school voor m. u. 1. o. ook in een of meer vakken les in het zevende of een hooger leerjaar, dan geniet hij deze verhooging van jaarwedde niet.

Volgens het bezoldigingsbesluit worden de wedden van de ambtenaren, genoemd in de bijlagen A en B (zie bladz. 66), bij bekwaamheid, geschiktheid en dienstijver periodiek verhoogd op de wijze als daarbij is aangegeven, naar gelang van den diensttijd in den rang of de klasse, voor zoover de in de bijlage B genoemde ambtenaren betreft met bijberekening van diensttijd, als in deze bijlage is aangegeven.

In die bijlage vindt men voor het berekenen van den diensttijd der onderwijzers de volgende regels. .

Als diensttijd komt in aanmerking de tijd, vóór en na de inwerkingtreding van de lager-onderwijswet 1920 doorgebracht in dienst zoowel aan openbare als aan bijzondere lagere scholen, als hoofd en als onderwijzer, zoomede diensttijd volgens art. 41 dier wet, art. 33 der wet van 7 Augustus 1878 (st.bl. no. 127) en het laatste lid van art. 22 der wet van 13 Augustus 1857 (stbl no. 103), alsmede de diensttijd aan andere inrichtingen van onderwijs, welke bij koninklijk besluit, den onderwijsraad (afdeeling voor

Sluiten