Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

Hfdst. VIII § 7

het algemeen vormend lager onderwijs en het bewaarschoolonderwijs) gehoord, zijn aangewezen. Mede wordt als diensttijd aangemerkt de tijd, door den onderwijzer na 1 Augustus 1914 in verplichten krijgsdienst doorgebracht, voor zoover die tijd met bijtelling van verplichten diensttijd vóór 1 Augustus 1914 acht en een halve maand te boven gaat, en voor zoover hij in het bezit was van een akte van bekwaamheid als onderwijzer.

De andere inrichtingen Van onderwijs, waarvan hier sprake is, zijn aangewezen bij de koninklijke besluiten van 2 Juni 1920, no. 18 en 6 December 1920, no. 31.

Verder moet ter zake van het berekenen van den diensttijd nog gelet op enkele bepalingen van het bezoldigingsbesluit. De tijd, gedurende welken krachtens wettelijk voorschriftx) verlof wordt genoten ter vervulling van militairen dienstplicht, komt van rechtswege in aanmerking als diensttijd, geldig voor de toekenning van periodieke verhooging, doch als diensttijd blijft buiten aanmerking de tijd, met stilstand van jaarwedde met verlof doorgebracht, indien het verlof langer dan een jaar achtereenvolgens geduurd heeft of verleend is op een door den ambtenaar gedaan verzoek in zijn persoonlijk belang, alsook de tijd, gedurende welken schorsing zonder behoud van jaarwedde heeft plaats gehad.

Men moet dit niet verwarren met het speciaal voor de onderwijzers geldende voorschrift van bijlage B. De daar bedoelde militaire diensttijd* telt voor de periodieke verhooging mede ook als de betrokken onderwijzer met in betrekking geweest is of elk dienstverband verbroken is, terwijl deze alleen medetelt als de onderwijzer in betrekking is en het dienstverband niet verbroken wordt, doch dan is er ook geen sprake van acht en een halve maand, welke niet medegerekend worden.

Vroegere thans vervallen bepalingen betreffende diensttijd zijn nog van belang voor op 1 Januari 1920 in dienst zijnde onderwijzers, omdat art. 30 van het bezoldigingsbesluit bepaalt, dat de bezoldiging van de op 1 Januari 1920 in dienst zijnde ambtenaren, met ingang van dien datum, vastgesteld wordt naar den diensttijd, welke op dien datum is verkregen onder de op 31 December 1919 van kracht zijnde regeling, met verwaarloozing van gedeelten van een maand. Diensttijd, vervuld vóór het bereiken van den 18-jarigen leeftijd, komt hierbij niet in aanmerking. Dit kan bij een onderwijzer natuurlijk niet voorkomen.

Diensttijd als tijdelijk ambtenaar, krachtens aanstelling door het bevoegd gezag, dus ook aanstelling door het gemeentebestuur, en onmiddellijk gevolgd door vasten dienst in dezelfde betrekking en in denzelfden rang of dezelfde klasse, komt ook voor de periodieke verhooging in aanmerking.

x) Zie hetgeen op bladz. 67—70 is aangeteekend uit het koninklijk besluit van 31 December 1920 (stbl. no. 949).

Sluiten