Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 7

80

Verlofstraktement.

De onderwijzerspensioenen.

Pensioenrechten.

e. zoodra de onderwijzer, met een diensttijd van tien jaren en meer maar nog geen vijf en twintig jaren, zijn wachtgeld gedurende vijftien jaren genoten heeft.

In navolging van hetgeen art. 91 der wet op hooger onderwijs voor de hoogleeraren bepaalt is gedurende de beraadslagingen in de tweede kamer de bepaling opgenomen* dat onderwijzers, het lidmaatschap van de tweede kamer aanvaardende gedurende dat lidmaatschap van rechtswege op nonactiviteit zijn en dan de helft hunner jaarwedde als verlofstraktement genieten, welk verlofstraktèment ten laste van het rijk komt.

Zoowel omtrent het wachtgeld als omtrent het verlofstraktement zijn in de lager-onderwijswet 1920 geen principieele beslissingen genomen. Deze onderwerpen zullen nader geregeld worden in de rechtstoestandswet, waarvan het ontwerp thans (Augustus 1921) bij de staten-generaal aanhangig is.

Ook omtrent de pensioenen der onderwijzers zijn in 1920 geen van de bestaande afwijkende regels gesteld. De pensioenrechten der onderwijzers zullen onder het oog gezien worden tegelijk met die van alle andere ambtenaren bij de algemeene pensioenwet, welke thans (Augustus 1921) bij de staten-generaal aanhangig is. Daarom en ook omdat evenals met het wachtgeld en het verlofstraktement de gemeentebesturen met de pensioenen der onderwijzers heel weinig bemoeiingen hebben, worden de regels voor deze pensioenen niet uitvoerig behandeld; geheel voorbijgaan mogen wij ze niet, daar de gemeentebesturen nog eenige administratieve bepalingen betreffende de pensioensbijdrage hebben toe te passen.

Volgens art. 46 der wet wordt aan de onderwijzers der openbare scholen voor gewoon en voor uitgebreid lager onderwijs pensioen verleend ten laste van het rijk volgens de regels bij de artt. 47—50 gesteld, terwijl de wet van 5 Juni 1905 (st.bl. no. 153), (weduwenwet voor de onderwijzers 1905) pensioen verzekert aan de weduwen en weezen der onderwijzers.

De onderwijzers uitsluitend belast met het geven van onderwijs in een of meer vakken, vermeld in art. 2 onder letter h—k. en r—u, en de onderwijzers voor het vervolgonderwijs vallen onder de pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 en de weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913.

Voor de onderwijzers van het openbaar buitengewoon lager onderwijs wordt verwezen naar de paragraaf daarover handelende.

Recht op pensioen wordt verkregen: a. door na volbrachten vijf en zestigjarigen leeftijd bekomen ontslag; b. door een onderwijzer, die na tienjarigen diensttijd uit hoofde van ziels- of lichaamsgebreken voor de waarneming zijner betrekking ongeschikt is en op dien grond ontslag heeft bekomen;

Sluiten