Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

81

Hfdst. VIII § 7

c. door den onderwijzer, die ziels- of lichaamsgebreken heeft bekomen, welke hem voor de verdere waarneming zijner betrekking ongeschikt maken, mits die gebreken het gevolg zijn, hetzij van tegen hem in of ter zake van de uitoefening zijner dienstverrichtingen gepleegde gewelddadigheden, hetzij van ongevallen bij het volvoeren van diensten, waarbij gevaar te' voorzien was, hetzij van ongevallen bij het verrichten van diensten, waarbij geen gevaar te voorzien was, indien het ongeval, dat de gebreken veroorzaakte, niet aan de schuld of aan de onvoorzichtigheid van den onderwijzer te wijten is, mits geen langer termijn dan twee jaren verstreken is tusschen den tijd, waaróp de gebreken bekomen zijn, en dien, waarop de onderwijzer wordt ontslagen; d. door den onderwijzer, wiens betrekking na lQ-jarigen dienst is opgeheven, doch eerst na volbrachten 65-jarigen leeftijd en voorts wanneer hij ziels- of lichaamsgebreken bekomt, die hem ongeschikt maken voor de waarneming der betrekking van onderwijzerl).

Het pensioen beloopt in de gevallen hierboven onder a, b en d bedoeld voor elk jaar dienst een zestigste deel van de jaarwedde, die over de laatste twaalf maanden, aan het ontslag voorafgaande, tot grondslag gediend heeft voor de bepaling der bijdrage voor pensioen, doch mag nimmer het tweederde gedeelte dier jaarwedde te boven gaan. In het geval onder c genoemd bedraagt het pensioen tweederde gedeelten dezer jaarwedde *).

Als bijdrage voor pensioen wordt door de onderwijzers jaarlijks betaald twee ten honderd van de jaarwedde aan hun betrekking verbonden. Voor hetgeen als diensttijd in aanmerking komt, kunnen wij volstaan met te verwijzen naar het vierde lid van art. 47 en art. 199 der wet.

De pensioensbijdrage der onderwijzers komt ten voordeele van het rijk en wordt door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan 's rijks kas verantwoord. Art. 59 verklaart verscheidene artikels der wet betreffende de burgerlijke pensioenen op de pensioenen der onderwijzers van toepassing. De verdere bepalingen nopens de pensioenen van onderwijzers bij de openbare lagere scholen zijn vervat in het koninklijk besluit van 10 Januari 1921 (st.bl. no. 8). Daar deze bepalingen ook gelden voor de pensioenen der weduwen en weezen van de openbare onderwijzers, zullen wij er nog een en ander uit mededeelen, nadat wij een overzicht gegeven hebben van de voornaamste bepalingen, betreffende deze pensioenen.

Wordt de jaarwedde verminderd, bijv. door het overgaan in een lager bezoldigde betrekking, dan blijft de betrokken onderwijzer bijdragen naar de som, die laatstelijk tot grondslag der heffing heeft gediend, tenzij hij dit niet verkiezen mocht, in welk geval hij daarvan binnen 2 maanden,

*) Zie de artt. 47 en 48 der wet. 2) Zie art. 48 der wet.

Adm. recht iii

Het bedrag van het penstoen.

De bijdrage voor

pensioen.

Sluiten