Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

83

Hfdst. VIII § 7

Het pensioen bedraagt van de som, die laatstelijk tot grondslag voor de pensioensberekening van den onderwijzer heeft gestrekt:

a. voor weduwen van onderwijzers een derde deel;

b. voor elk der pensioensgerechtigde kinderen, geboren uit het huwelijk van een onderwijzer met de vrouw, die hij als weduwe nalaat, het een vijftiende deel, tot een maximum van een derde deel;

Dit weezenpensioen wordt door de moeder in den vorm van verhoogd weduwenpensioen genoten.

c. voor elk der pensioengerechtigde kinderen van onderwijzers — van welke kinderen de moeder ook overleden is — het een negende deel tot een maximum van het een derde deel;

d. voor elk der pensioensgerechtigde kinderen van onderwijzeressen het een negende deel, tot een maximum van het een derde deel.

Het weduwenpensioen kan evenals het gezamenlijk bedrag van het weezenpensioen de som van ƒ 800,— niet overschrijden; bij de regeling dier pensioenen komt als pensioensgrondslag geen hooger bedrag dan ƒ 2400,— in aanmerking.

Indien het gezamenlijk bedrag der pensioenen van uit verschillende huwelijken nagelaten weezen ƒ 800,— zou overschrijden en dus op grond van het voor het weezenpensioen gestelde maximum vermindering moet ondergaan, geschiedt die vermindering zoo, dat de verhouding, die volgens de aanvankelijke berekening tusschen de verschillende pensioenen bestond, dezelfde blijft.

Een onderwijzer, gepensionneerd of op wachtgeld gesteld wordende, behoudt recht op pensioen voor zijn weduwe en weezen, mits hij de verschuldigde bijdrage blijft storten, doch een onderwijzer, die zonder wachtgeld of pensioen, onverschillig om welke reden, zijn betrekking verliest, kan het recht op pensioen voor zijn weduwe en weezen alleen verzekeren door storting van een som in art. 12 der weduwenwet voor onderwijzers 1905 genoemd of door de jaarlijksche bijdrage te blijven betalen aan den directeur van het pensioenfonds. z^\f ^

De bijdrage of premie voor het weduwen- en weezenpensioen bestaat in i een doorloopende korting ten behoeve van het pensioenfonds van:

a. voor de onderwijzers 5 %, en voor de onderwijzeressen 1 % 's jaars, over hun pensioensgrondslag; i

6. voor de onderwijzers, die op pensioen of op wachtgeld gesteld worden, 5 % en voor de onderwijzeressen, die in dat geval verkeeren, I % over hun pensioen of wachtgeld; ,

c. voor de onderwijzers, wier na te laten betrekkingen uitzicht hebben op toekenning van het aanvullingspensioen bedoeld op bladz. 82 onder

Bedrag van het weduwenen weezenpensioen.

De bijdragen

/oor

weduwen- en weezenpensioen.

Sluiten