Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

85

Hfdst. VIII § 8

Het verdient opmerking, dat de wetgever niet uitdrukkelijk verboden heeft, dat provinciën of waterschappen uitgaven doen ten behoeve van het vervolgonderwijs. De bedoeling van den wetgever is stellig wel geweest ook dit niet toe te laten; dit blijkt uit de memorie van toelichting, waarin alleen gesproken wordt van de mogelijkheid, dat de provincie uitgaven doet ten behoeve van het buitengewoon lager onderwijs. Men moet daarbij ook met vergeten, dat aanvankelijk het vervolgonderwijs niet genoemd werd onder de onderdeden van het schoolonderwijs x).

In de la ger-onderwijswet 1920 is gehandhaafd de bestaande bepaling, dat elke gemeente moet voorzien in de kosten van haar lager onderwijs, voor zoover die niet komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden (art. 54), niettegenstaande deze kosten voor een belangrijk deel uit s rijks kas vergoed worden, daar de wet thans de jaarwedden der onderwijzers geheel ten laste van het rijk brengt. Door deze wetsbepaling is de gemeente en niet het rijk verantwoordelijk voor de behoorlijke betaling van alles wat ter zake van het openbaar lager onderwijs verschuldigd is, ook voor de jaarwedden der onderwijzers als de voorschotten van het rijk niet voldoende zijn om deze te betalen of als de voorschotten niet op tijd ontvangen worden.

Door het bepaalde bij art. 54 mag de gemeente ook niet een gedeelte van de kosten van haar lager onderwijs brengen ten laste van de ouders der schoolgaande kinderen. Raadsbesluiten, waarbij was bepaald, dat de aanschaffing van schoolboeken zou komen voor rekening dergenen, door wie het schoolgeld verschuldigd is en dat vanwege de gemeente worden bekostigd de boeken, welke bij het onderwijs gebruikt worden, doch niet die welke voor huiswerk worden gebezigd, zijn vernietigd wegens strijd met de wet 2).

Art. 55 bepaalt, dat de kosten van het openbaar lager onderwijs zijn:

a. de jaarwedden en wedden der onderwijzers;

b. de uitgaven ten behoeve van het vervolgonderwijs;

c. de uitgaven voor herstichten en instandhouden of het huren van de schoolgebouwen en die voor het aankoopen of huren en het inrichten en instandhouden van de terreinen voor het onderwijs in lichamelijke oefening, een en ander met inbegrip van kosten wegens erfpacht van grond;

d. die voor het aanschaffen van de schoolmeubelen;

e. die voor de geringe en dagehjksche reparatiën van de schoolgebouwen, als bedoeld in art. 1619 van het burgerlijk wetboek;

) Zie hiervoor bladz. 16.

2) Zie de koninklijke besluiten van 25 Mei 1914 (st.bl. no. 215) en 10 September 1915 (st.bl. no. 391).

De gemeente moet voorzien in de kosten van haar lager onderwijs.

De kosten van het openbaar lager

onderwijs.

Sluiten