Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 8

86

Het rijk vergoedt de jaarwedden en wedden de onderwijzers.

ƒ. die voor het onderhouden van de schoolmeubelen en voor het aanschaffen en onderhouden van de schoolboeken, leermiddelen en schoolbehoeften;

g. die voor verlichting en verwarming en het schoonhouden van de schoolgebouwen;

h. die voor de schoolbibliotheken;

f. die voor de steunverleening en de voorziening volgens art. 13 (zie bladz. 25 en 26); j. die voor de belooningen en eereblijken;

k. die voor het verstrekken of doen verstrekken van voeding en kleeding aan schoolkinderen;

l. die voor het gebruik van schoolbaden;

m. die van het plaatselijk schooltoezicht, van de oudercommissiën en van de commissiën tot wering van schoolverzuim; n. die van het vergelijkend onderzoek;

o. andere uitgaven ter verzekering van den goeden gang van het.onderwijs.

Vooral met het oog op de vergoedingen te betalen door de gemeenten aan de besturen der bijzondere scholen is het van belang omtrent enkele onderdeden van dit art. 55 eenige opmerkingen te maken en de beteekenis daarvan te omlijnen. Hiervoor wordt verwezen naar de betrekkelijke paragraaf.

Over elk dienstjaar vergoedt het rijk aan de gemeenten:

a. de jaarwedden der hoofden; r b. de jaarwedden der volgens de artt. 27 en 28 verplichte onderwijzers (zie bladz. 49—53);

c. de wedden van hen, die overeenkomstig art. 41 zijn aangewezen voor tijdelijke waarneming eener betrekking van onderwijzer of van hoofd der school. (Art. 56, eerste lid.)

Ter zake der vergoeding van de jaarwedden der volgens de artt. 27 en 28 verplichte onderwijzers is vooral van belang hetgeen art. 58 der wet bepadt. Dit artikel luidt: „Indien bij de berekening van het aantal onderwijzers, bedoeld in art. 28, eerste en tweede lid, leerlingen beneden de zes jaren zijn medegeteld, wordt voor de berekening van de vergoeding volgens art. 56 het aantal onderwijzers berekend, gelijk dit zou zijn, indien deze leerlingen buiten aanmerking waren gelaten .

Voord ook met betrekking tot de toepassing van art. 100 kan dit tot vreemde consequenties leiden; hiervoor wordt verwezen naar de paragraaf, waarin gesproken wordt van de uitgaven voor het bijzonder onderwijs. De minister meende, dat de uit de wet van 1878 overgenomen bepaling van art. 58 door art. 11 haar beteekenis grootendeels verloren heeft, omdat de gemeente- en schoolbesturen bij het toelaten van kinderen tot de school

Sluiten