Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 8

88

de algemeene regelen, bedoeld in art. 6 (het bouwbesluit). (Art. 56, eerste Hd);

b. de scholen voor uitgebreid lager onderwijs met minder dan achttien leerlingen in de eerste drie leerjaren te zamen.

Indien echter aan een school voor uitgebreid lager onderwijs, welke voor vergoeding als zoodanig reeds in aanmerking is gekomen, het aantal leerlingen in de eerste drie leerjaren beneden achttien daalt, gaat de aanspraak op vergoeding gedurende drie achtereenvolgende jaren niet op dien grond verloren, mits in geen jaar het aantal daalt beneden twaalf.

Voor een school voor uitgebreid lager onderwijs, welke voor vergoeding als zoodanig reeds in aanmerking is gekomen en waar in eenig jaar de klasse van het derde leerjaar geen leerlingen bevat, gaat de aanspraak op die vergoeding op dien grond niet verloren, indien bij koninklijk besluit op een daartoe strekkend verzoek van het gemeentebestuur ontheffing is verleend van de in art. 3, vierde lid1), gestelde eischen voor zooveel het daar bedoeld onderwijs in het derde leerjaar betreft. Deze ontheffing kan gedurende drie achtereenvolgende jaren telkens voor niet langer dan een jaar worden vei* leend. (Art. 57).

Het tweede lid van art. 4 van het koninklijk besluit van 28 December 1920 (st.bl. no. 918) (zie de paragraaf, waarin gehandeld wordt over het schooltoezicht), bepaalt, dat als den inspecteur blijkt, dat bij den bouw of den verbouw of bij de inrichting van terreinen voor het onderwijs m lichamelijke oefening, art. 69 (welk artikel handelt over de goedkeuring door den minister of den inspecteur) niet is nageleefd, deze daarvan ten spoedigste kennis moet geven aan den minister;

c. de scholen, hetzij voor het geheel, hetzij voor een bij koninklijk besluit te bepalen gedeelte, waar bij vacature in het onderwijzend personeel, tusschen het ontstaan daarvan en de aanvaarding zijner betrekking door den benoemde, een langere tijd verloopt dan, wat het hoofd der school betreft, van zes maanden, wat de overige onderwijzers betreft, van vier maanden.

Indien niet is voldaan aan dezen eisch, kan bij koninklijk besluit in bijzondere omstandigheden voor een bepaalden tijd ontheffing worden verleend, indien door het gemeentebestuur vóór het einde van het jaar, volgende op dat, waarin de vacature had moeten zijn vervuld, een daartoe strekkend verzoek aan de Kroon is ingediend. (Art. 59.)

Bij koninklijk besluit van 7 September 1901, no. 73, is. beslist, dat bij noodzakelijke vermeerdering van het onderwijzend personeel wegens vermeerdering der schoolbevolking deze tijdperken van zes en vier maanden

!) Zie bladz. 17.

Sluiten