Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

Hfdst. VIII § 8

moeten gerekend worden van 1 Januari af, daar dan de noodzakelijkheid der vermeerdering volgens art. 24 der wet 1878 bleek. Overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid van art. 28 der lager-onderwijswet 1920 zal dit nu zijn 1 Januari van het jaar volgende op dat, waarin de vermeerdering van het aantal leerlingen, dat aanleiding moet geven tot uitbreiding Van het onderwijzend personeel is gebleken.

Bij koninklijk besluit van 9 September 1903, no. 14, is beslist, dat bedoelde termijn begint te loopen op den eersten dag na het verstrijken van het tijdvak, waarvoor de ontheffing krachtens het vijfde lid van art. 48 (thans het tweede lid van art. 59) is verleend. De minister van binnenlandsche zaken gaf echter bij missive van 17 November 1905, no. 9821, naar ons voorkomt volkomen terecht te kennen, dat deze beslissing niet juist is. Aan de verleende ontheffing kan geen andere beteekenis worden gehecht, dan dat de in het eerste lid van art. 59 der wet bedoelde strafbepaling eerst zal worden toegepast, indien na het einde van den termijn, waarvoor de ontheffing is verleend de vacature nog niet is vervuld.

Hoewel de bewoordingen van het eerste lid van art. 59 der wet aanleiding zoude kunnen geven om die bepaling bij niet vervulling van iedere vacature toepasselijk te achten, blijkt toch uit den samenhang en uit den onderbouw van deze wetsbepaling duidelijk, dat voor de toepassing van art. 59 alleen rekening gehouden moet worden met het minimum aantal onderwijzers.

Een vacature in het onderwijzend personeel kan slechts ontstaan door ontslag, overlijden of door vermeerdering der schoolbevolking. Bij schorsing of tijdelijke afwezigheid van een onderwijzer, die met verlof zijn militiedienst vervult of wegens ziekte of om eenige andere reden met verlof niet in de school aanwezig is, ontstaat geen vacature en wordt het eerste lid van art. 59 dus ook niet toepasselijk.

De blijkbare bedoeling van art. 59, eerste lid, is de gemeentebesturen te noodzaken binnen' den bepaalden tijd door een definitieve benoeming in de vacature te voorzien, zoodat men zal moeten aannemen, dat door een lijdelijke benoeming, met inachtneming van art. 41 der wet aan de strafbepaling van art. 59, alinea 1, niet ontkomen wordt.

Volgens art. 4 van het koninklijk besluit van 28 December 1920 (st.bl. no. 918) (zie bladz. 91) moet het gemeentebestuur, indien niet voldaan is aan den eischt, gesteld in het eerste lid van art. 59 der wet daarvan kennis geven aan den minister binnen tien dagen, nadat in de vacature had benooren te zijn voorzien.

Art. 201 der wet bevat eenige bepalingen, welke voor de rijksvergoeding van belang zijn gedurende den overgangstijd.

De

vergoeding gedurende den overgangstijd.

Sluiten