Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 8

90

De

uitvoeringsvoorschriften.

De vergoeding van het rijk aan de gemeenten, bedoeld in art. 56 wordt voor de eerste maal uitbetaald over het jaar 1920. In verband hiermede wordt natuurlijk de vergoeding van het rijk aan de gemeenten, bedoeld in de artt. 48 tot en met 48sepnes der wet van 1878, voor de laatste maal toegekend over het jaar 1919.

De bijdrage, bedoeld in art. 48ocfies der wet van 1878, zijnde 25 ten honderd van de kosten wegens het stichten, verbouwen of aankoopen van schoollokalen, wordt voor de laatste maal uitbetaald over het jaar 1921, daar de lager-onderwijswet 1920 deze bijdrage niet kent.

Indien gedurende de jaren 1921 tot en met 1925 het onderwijzend personeel het minimum van onderwijzers, gesteld in art. 24 der wet van 1878, overschrijdt, vergoedt het rijk boven en behalve de jaarwedden der in dat artikel bedoelde onderwijzers:

a. aan scholen voor gewoon lager onderwijs met meer dan vijf en twintig en minder dan driehonderd tien leerlingen de jaarwedde van een onderwijzer en aan zulke scholen met driehonderd tien en meer leerlingen, de jaarwedde van twee onderwijzers;

b. aan scholen voor uitgebreid lager onderwijs, als bedoeld in art. 486is der wet van 1878, met eenhonderd negen ep negentig en minder leerlingen de jaarwedde van twee onderwijzers en aanWke scholen met tweehonderd en meer leerlingen de jaarwedde van drie onderwijzers;

c. aan scholen voor meer uitgebreid lager onderwijs, als bedoeld in art. 48fer der wet van 1878, met negentig en minder leerlingen de jaarwedde van drie onderwijzers, aan zulke scholen met een en negentig tot en met eenhonderd negen en negentig leerlingen de jaarwedde van vier onderwijzers en aan zulke scholen met tweehonderd en meer leerlingen de jaarwedde van vijf onderwijzers.

Art. XVII der wet van 14 Juli 1919 (st;bl. no. 493), betreffende vermindering van de vergoeding met het bedrag, dat de gemeente in 1918 aan onderwijzersjaarwedden meer dan het minimum betaald heeft, wordt voor de laatste maal toegepast over het dienstjaar 1921.

Volgens art. 60 der wet moeten voorschriften omtrent de uitvoering van de artt, 56 tot en met 59 bij algemeenen maatregel van bestuur gegeven worden,, met inachtneming van het beginsel, dat, behoudens aanvulling of terugbetaling na afloop van het dienstjaar, de vergoeding bij voorschot wordt uitgekeerd.

Ter berekening van dat voorschot wordt voor de vergoeding, bedoeld m art. 56, eerste lid, genomen het aantal onderwijzers, dat ingevolge het bepaalde bij de artt. 27 en 28 aan de school moet verbonden zijn.

De vergoedingen, bedoeld in art. 56, worden door de algemeene reken-

BJJBZJJJJJJJJJBH

Sluiten