Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93

Hfdst. VIII § 8

aanvraag van subsidie in de gewone als in de buitengewone kosten zijn vastgesteld. Uit deze stukken blijkt, waarop de regeering bij het beoordeelen of het subsidie al of niet noodig is in de eerste plaats denkt te letten. Wij kunnen den inhoud niet vermelden, doch bij voorkomende gelegenheden zullen de gemeentebesturen er hun aandacht aan moeten wijden. Hier alleen nog de opmerking, dat de minister van binnenlandsche zaken in 1889 in de tweede kamer heeft medegedeeld, dat er bij het beoordeelen van aanvragen om subsidie in de gewone onderwijsuitgaven in de eerste plaats op gelet wordt, of de gemeente aan plaatselijke directe belastingen en opcenten op het personeel minstens tweemaal zooveel heft, als de uitkeering van vier vijfde gedeelten van het personeel*) bedraagt. Wordt er minder belasting in de gemeente geheven dan het genoemde bedrag, zoo bestaat er veel kans, dat de aanvraag afgewezen wordt, tenzij zeer buitengewone omstandigheden een afwijking toelaten, hoewel daar nog niet uit volgt, dat als zoodanig bedrag aan eigen belasting door de gemeente geheven wordt, daardoor de noodzakelijkheid van het verleenen van een subsidie zou zijn gebleken. Zooals door den minister van binnenlandsche zaken bij de behandeling van de novelle 1905 is opgemerkt zal niet uit het oog dienen verloren te worden, dat bij de vaststelling van den financiëelen gemeentelijken toestand op onderwijsgebied ook wel degelijk de verrekening met de rij ksuitkeering (art. 9bis der uitkeeringswet 1897) 2) in aanmerking zal te nemen zijn.

De betaling van de subsidiën in de gewone kosten geschiedt elk kwartaal en van die in de buitengewone kosten in verband met de betalingstermijnen op aanvraag der gemeentebesturen 3).

In 1920 is aan het betrekkelijke artikel een tweede lid toegevoegd luidende: „Indien het subsidie wordt verleend in de kosten van bouw of verbouw van schoollokalen, of van de inrichting van terreinen voor het onderwijs in lichamelijke oefening, kunnen daaraan voorwaarden worden verbonden omtrent medegebruik van die lokalen of terreinen door of van wege het rijk."

In de memorie van antwoord, tweede kamer, is gezegd, dat van de zijde der gemeenten niet altijd die medewerking wordt betoond bij de bevordering van lichamelijke oefening van de schoolvrije jeugd, welke men zou mogen verwachten. Een van de eenvoudigste vormen van dergelijke medewerking bestaat in het kosteloos in gebruik geven van gymnastieklokalen en oefen-

l) Zie hetgeen omtrent de uitkeering van dit vier vijfde deel in het eerste deel is opgemerkt. *) De wet van 24 Mei 1897 (st.bl. no. 156). Zie voor deze wet het eerste deel. *) Resolutie van den minister van binnenlandsche zaken van 7 Maart 1882, no. 897, afdeeling O; weekblad burg. adm., no. 1715.

Sluiten