Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

95

Hfdst. VIII § 9

bevatten en kunnen, indien men daarintochhettijdstipderinwerkingtreding wil vermelden, daarvoor geen anderen datum dan 1 Januari 1922 inhouden.

Over het heffen en invorderen van schoolgelden handelen de artt. 62—67 der wet. Deze artikelen zijn neergeschreven voor het openbaar gewoon en het openbaar uitgebreid lager onderwijs.

Volgens de beginselen in de paragraaf, waarin over het vervolgonderwijs gesproken wordt, nader ontvouwd, gelden deze wetsartikels ook voor het schoolgeld, te heffen voor het openbaar vervolgonderwijs, natuurlijk met dit voorbehoud dat enkele wetsbepalingen, waarin uitdrukkelijk regels betreffende de schoolgeldhefhng voor het openbaar gewoon of uitgebreid lager onderwijs gegeven zijn, niet voor het vervolgonderwijs verbindende kunnen zijn. Het lijkt echter wenschelijk de beginselen in die wetsbepalingen — art. 63, eerste lid, art. 64, eerste en tweede lid — neergelegd, ook voor de schoolgeldheffing voor het openbaar vervolgonderwijs toe te passen.

Ten aanzien van het openbaar buitengewoon lager onderwijs is in art. 70 bepaald, dat van de wetsartikels, welke de heffing en invordering van het schoolgeld betreffen, voor dat onderwijs gelden art. 62, art. 64, eerste en vierde lid en de artt. 65 tot en met 67.

Art. 95 verklaart de schoolgeldartikels — 62 tot en met 67 — ook van toepassing, behoudens eenige afwijking wat de invordering betreft, voor het bijzonder gewoon lager, uitgebreid lager en vervolgonderwijs, terwijl deze bepalingen niet gelden voor het bijzonder buitengewoon onderwijs (zie hieronder). Dat de wetgever deze artikels ook verbindende verklaard heeft voor het bijzonder vervolgonderwijs, bewijst — zoo daarvoor nog bewijs noodig mocht zijn — te meer, dat het de bedoeling van den wetgever geweest is, dat deze artikels ook verbindende zullen zijn voor het openbaar vervolgonderwijs, hoewel dat nergens bepaald is1).

De artt. 62—67 der wet.

*) Even voor het afdrukken van deze bladzijde is gebleken, dat de regeering een andere opvatting huldigt. Zij 1 eeraart aldus (zie het weekbl. Ned. bond gemeenteambtenaren no. 1047):

„Art. 50 der wet op het lager onderwijs van 1878 werd van toepassing geacht op het herhalingsonderwijs, omdat art. 47 dier wet onder de kosten, waarin de gemeente voorziet, ook de uitgaven voor het herhalingsonderwijs rangschikte. Gelijke redeneering geldt ten aanzien van de artt. 55, junctc art. 62 en volgende der lager-onderwijswet 1920, met betrekking tot het vervolgonderwijs.

In overeenstemming met den minister van binnenlandsche zaken ben ik mitsdien van meening. dat het schoolgeld voor dat onderwijs mitsdien is te regelen met in achtneming van art. 62 en van de daarop volgende artikelen, voor zoover deze niet uitsluitend van toepassing zijn op het gewone en op bet uitgebreid lager onderwijs. Tot deze laatste bepalingen behooren art. 63, eerste lid, en art. 64, eerste lid, die voor het vervolgonderwijs buiten toepassing zouden moeten blijven.

Art. 95 der lager-onderwijswet 1920 geldt niet voor het bijzonder vervolgonderwijs.

Dit blijkt ook bij vergelijking van hetgeen voorgeschreven is in art. 101, zevende en achtste lid, en in art. 102, derde lid.

Uit laatstbedoelde bepaling volgt wel, dat de opbrengst van het schoolgeld voor het vervolgonderwijs in mindering moet komen van de kosten van het bijzonder vervolgonderwijs,' maar uit geen enkele

Sluiten