Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

97

Hfdst. VIII § 9

lijk voor de bijzondere en openbare scholen geldt (zie hieronder) behoefde de mogelijkheid tot vrijstelling niet behouden te blijven.

Het tweede argument voor het opnemen in de wet van een bepaling volgens welke vrijstelling van de verplichting om schoolgeld te heffen, verkregen kon worden, was dat, wanneer men in sommige gemeenten geen vrijstelling van de verplichting tot schoolgeldheffing gaf, men het schoolverzuim in de hand werkte, daar er tal van plaatsen waren, waar de menschen het schoolgeld moeilijk betalen konden en het gevolg zou zijn, dat de kinderen niet naar school gingen. Maar ook die grond heeft zijn 'beteekenis verloren, sedert er leerplicht is.

De minister deelde bij de behandeling der wet nog mede dat slechts drie plaatsen in Nederland gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om ontheffing te krijgen van de verplichting om schoolgelden te heffen. De eene gemeente lag bij de grens van Noord-Brabant en België en vroeg ontheffing, daar anders de kinderen misschien naar België op school zouden gaan en niet in Nederland zouden blijven. In Nieuweschans heeft men vrijstelling gevraagd met het oog op de schipperskinderen en de derde gemeente, Zijpe in Noord-Holland, vroeg in 1890 vrijstelling, omdat de Roomsch-Katholieke school in die gemeente geen schoolgeld hief. In 30 jaar is dus door slechts 3 gemeenten op zeer bijzondere gronden van de gelegenheid om vrijstelling te krijgen gebruik gemaakt.

Een poging, bij de behandeling der wet aangewend, om het lager onderwijs kosteloos te maken, omdat het een gemeenschapsbelang is, heeft geen resultaat gehad.

Alleen de gemeente heft schoolgeld voor het lager onderwijs, ook voor het bijzonder lager onderwijs en dat schoolgeld vloeit in de gemeentekas. In de memorie van toelichting werd dienaangaande gezegd: „Met de staatscommissie is de ondergeteekende van meening, dat nevens het eene beginsel, dat de kosten der bijzondere scholen, die aan de gestelde vereischten voldoen, geheel uit de openbare kassen moeten worden vergoed, ook het andere behoort aangenomen te worden, dat de opbrengst der schoolgelden ook van de bijzondere scholen, die aldus gesteund worden, in de gemeentekas moet vloeien. Wordt in iedere gemeente de verordening tot schoolgeldheffing gelijkelijk van toepassing op de openbare en de bijzondere scholen, dan vervalt daarmede tevens een der minder zuivere concurrentiemiddelen tusschen die twee deelen". Art. 95 verklaart dan ook de bepalingen voor de schoolgeldheffing voor het openbaar onderwijs gegeven, op de bijzondere scholen, behalve de buitengewone *) van toepassing, met dien verstande,

De heffing van

schoolgeld geschiedt alleen door de gemeente.

) Ook niet op het bijzonder vervolgonderwijs; zie de noot op bladz. 95. Adm. recht III

7

Sluiten