Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

101

Hfdst. VIII § 9

leerlingen zelf verhaald worden. Ingeval de ouders beiden van de ouderlijke macht ontheven of ontzet zijn of indien de langstlevende van de voogdij is uitgesloten, ontheven of ontzet, kan er toch niet gesproken worden van ontstentenis der beide ouders en blijven deze dus aansprakelijk voor het betalen der schoolgelden.

Tot de ouders zouden wij ook rekenen de natuurlijke moeder, onverschillig of die haar kind al of niet erkend heeft en de natuurlijke vader, als die zijn kind erkend heeft, hetzij wettelijk, hetzij feitelijk.

Ook moet er met betrekking tot natuurlijke kinderen geen verband gezocht worden tusschen het al of niet bestaan van burgerlijke betrekkingen of onderhoudsplicht (art. 383, burg. wetb.) tusschen die kinderen en hun natuurlijke ouders en de verplichting tot het betalen van schoolgelden door die ouders. Ook natuurlijke, niet erkende kinderen hebben een moeder, die hen ter wereld gebracht heeft en een vader, die hen verwekt heeft. De moeder is bekend door het feit der geboorte uit een bepaalde vrouw en de vader kan buiten erkenning bekend zijn, doordat hij zich in het maatschappelijk leven als vader van het natuurlijk kind gedraagt. In deze gevallen kan ter zake van het betalen van schoolgeld niet gesproken worden'van ontstentenis der beide ouders.

Volgens het tweede lid van art. 62 moet het schoolgeld geheven worden naar evenredigheid van het inkomen, d. i. het inkomen van de ouders of van de kinderen.

Tot 1889 was de schoolgeldheffing niet verplichtend en als men er toch toe overging schoolgelden te heffen, dan was evenredige heffing uitgesloten door de bepaling, dat bedeelden en zij, die schoon niet bedeeld onvermogend waren, niet en minvermogenden niet of slechts voor een gedeelte aan de heffing onderworpen mochten worden in verband met het voorschrift, dat behoudens deze vrijstelling het schoolgeld voor ieder kind van dezelfde klasse gelijk moest zijn. In 1889 is niet alleen de verplichting tot schoolgeldheffing ingevoerd, maar is ook de mogelijkheid geopend om evenredig schoolgeld te hebben. In 1920 is de evenredige heffing verplichtend gesteld.

Ter zake van de plaatselijke belasting naar het inkomen wordt onderscheiden tusschen het zuiver inkomen en het belastbaar inkomen; in art. 62 wordt zoowel in het tweede als in het derde lid (zie ook art. 64, derde lid) alleen van het inkomen gesproken. Wat men onder inkomen voor de toepassing van deze wetsbepalingen verstaan moet, is ter regeling aan de heffingsverordening overgelaten, doch wij meenen, dat het niet toelaatbaar is daarvoor te nemen het belastbaar inkomen in den zin der gemeentewet en der wet op de rijksinkomstenbelasting. Als in het algemeen van het inkomen van iemand gesproken wordt zonder eenige nadere aanduiding

Alleen

evenredig

schoolgeld

mag

geheven

worden.

Sluiten