Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

103

Hfdst. VIII § 9

Voor de berekening van het gemiddeld bedrag geldt de regel van art. 65. (Zie bladz. 99 en 100).

Het eerste lid van art. 63 zegt wel, dat het schoolgeld voor het gewoon en het uitgebreid lager onderwijs afzonderlijk moet worden geregeld, doch beveelt niet, dat dit in afzonderlijke verordeningen moet geschieden, terwijl art. 64, tweede lid, handelende over de schoolgelden, zoowél voor het gewoon als voor het uitgebreid lager onderwijs toch spreekt van „de" verordening tot heffing van schoolgeld. Hoewel het geoorloofd geacht moet worden, dat voor elk onderdeel van het lager onderwijs een afzonderlijke schoolgeldverordening wordt vastgesteld, heeft de wetgever gedacht (althans zeker die mogelijk geacht) aan een schoolgeldverordening met afzonderlijke regeling van de verschuldigde bedragen.

„Voor iedere school derzelfde soort is in elke klasse van heffing het verschuldigde bedrag gelijk" zegt het tweede lid van art. 63 der wet.

Deze bepaling heeft ten doel te beletten, dat kinderen van dezelfde maatschappelijke omgeving afzonderlijk in bepaalde scholen (standenscholen) worden vereenigd. De. bevredigingscommissie, welke deze bepaling heeft in overweging gegeven, wilde daarmede het in standhouden van standenscholen onmogelijk maken.

Deze wetsbepaling stelt niets anders vast dan dat, welke school van een bepaalde soort in een gemeente een kind ook bezoekt, voor dat kind steeds hetzelfde schoolgeld betaald zal worden. Er staat echter niet — dit werd ook bij behandeling van de betrekkelijke bepaling in de tweede kamer opgemerkt — dat gemeentebesturen en schoolbesturen niet het recht zouden hebben om de kinderen te groepeeren naar gelang van de schoolgeldklassen, welke in de schoolgeldregeling voorkomen. Dat deze mogelijkheid bestaat is nog te meer vast komen te staan door het verwerpen van een amendement van den volgenden inhoud: „Tot geen enkele school mag een leerling den toegang worden geweigerd om redenen ontleend aan de maatschappelijke positie der ouders of verzorgers".

Voor scholen, bestemd voor gewoon onderwijs, bedraagt het schoolgeld volgens de laagste klasse van heffing ten minste vijf cents per leerling en per week, de vacantiën inbegrepen. (Art. 64, eerste lid.) Het geringste schoolgeld zal dus bedragen ƒ 2,60 per jaar.

Dat ook voor de vacanties schoolgelden betaald moeten worden, kan gemak opleveren bij het opmaken van kohieren voor een vol jaar, vooral daar de vacanties op de openbare en bijzondere scholen niet samenvallen en ook niet even lang duren, waartegenover weer eenig praktisch bezwaar ondervonden zal worden, als de inning per week geschiedt, zooals nog menigmaal voorkomt.

Voor iedere school derzelfde soort is in elke klasse van heffing het verschuldigdebedrag gelijk.

Het

minimum van het schoolgeld is vijf cent per leerling en per week.

Sluiten