Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 10

108

Alleen kinderen, die de lagere school niet meer bezoeken, kunnen aan het vervolgonderwijsdeelnemen.

niet zoo komt te staan als de heer Ketelaar zich voorstelt. Vooreerst niet omdat, wanneer een gemeente weigerachtig blijft om bij minder dan 6 kinderen herhalingsonderwijs in te richten, zij nog altijd door gedeputeerde staten daartoe kan worden gedwongen. „Ik leg er den nadruk op', zoo zeide de minister, „dat wanneer in een gemeente minder dan 6 kinderen zich voor herhalingsonderwijs aanmelden, 'gedeputeerde staten desnoods het gemeentebestuur kunnen dwingen het herhalingsonderwijs te doen geven. De heer Ketelaar vraagt, of het rijk dan de kosten betaalt. Dit doet het rijk niet, maar dat heeft met deze zaak niets te maken. Wij hebben hier te doen met gemeentebesturen, die uit financieele beweegredenen onwillig zijn en die onwilligheid kan door gedeputeerde staten worden weggenomen. Gedeputeerde staten kunnen dus zulke gemeenten tot betaling

dwingen." ' ,. . . , , , .

Ih het ontwerp van wet, zooals het eerst ingediend is, werd gezegd, dat de gelegenheid tot het genieten van herhalingsonderwijs (vervolgonderwijs) moest gegeven worden aan hen, die de openbare school verlaten hebben en de toelichting daarop luidde: „In het eerste lid wordt thans niet gezegd, dat de gelegenheid tot het genieten van herhalingsonderwijs gegeven wordt aan hen „die het gewoon lager onderwijs genoten hebben', maar aan hen „die de lagere school hebben verlaten en niet meer leerplichtig zijn. De reden daarvan is, dat het gewoon lager onderwijs volgens het voorstel in art 3 voortaan ten minste zeven leerjaren zal omvatten. Valt nu het zevende leerjaar niet onder den leerplicht, dan zouden de kinderen, die na zesjarigen leertijd de school verlaten, en die het meest behoefte hebben aan herhalingsonderwijs, daarvan uitgesloten zijn." Hoewel deze uitdrukking dus blijkbaar met een ander doel gebruikt wordt, was daardoor toch ook uitgesloten, dat kinderen, die het lager onderwijs genoten hebben, doch de school nog niet verlaten hadden, tot het herhalingsonderwijs toegelaten worden, zooals onder de wet van 1878 gebruikelijk was.

Hoe is dit nu, nadat in het eerste lid van art. 21 der wet weer sprake is van hen, die het lager onderwijs genoten hebben. Het herstellen van deze woorden is geschied op voorstel van de commissie van rapporteurs, omdat anders geacht zouden kunnen worden, dat zijn uitgesloten de kinderen, die huisonderwijs hebben genoten. Aangezien „hebben genoten niet in de plaats gesteld zijn van de woorden „hebben verlaten met het doel om den toestand te herstellen, welke onder de wet van 1878 bestond, dat ook nog schoolgaande kinderen, die de klasse doorloopen hebben tot cursussen van vervolgonderwijs kunnen toegelaten worden en vooral omdat in de definitie van „vervolgonderwijs" in het derde lid van art. 31) gesproken

!) Zie bladz. 16.

Sluiten