Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

109

Hfdst. VIII § 10

wordt van hen, die de lagere school hebben verlaten, moet men tot de conclusie komen, dat nog schoolgaande kinderen niet aan het vervolgonderwijs kunnen deelnemen.

Het vervolgonderwijs mag uitsluitend op werkdagen worden gegeven. Volgens de memorie van antwoord, tweede kamer, is deze bepaling opgenomen om het toezicht met onmogelijk te maken.

Ii Dit onderwijs kan, zoowel overdag als des avonds gegeven worden. Deze bepaling moet beschouwd worden in verband met het voorschrift van art. 12 der arbeidswet 1919, volgens hetwelk het hoofd of de bestuurder van een onderneming verplicht is een jeugdig persoon, die in zijn onderneming arbeid verricht, in de gelegenheid te stellen gedurende ten hoogste acht uren per week de lessen te volgen in inrichtingen voor godsdienst; voortgezet-, herhalings- of vakonderwijs. Bij het vaststellen der uren voor het vervolgonderwijs zal ook gerekend dienen te worden met den vrijen Zaterdagmiddag. Men zal hierbij echter veel op plaatselijke toestanden en behoeften te letten hebben.

Een cursus voor het vervolgonderwijs duurt ten minste honderdvijftig en ten hoogste driehonderd uren per jaar. De normale toestand kan hierdoor worden, dat aan cursussen van een heel of een half jaar gedurende zes uren per week onderwijs wordt gegeven. Maar vrijheid wordt gelaten om den duur van den cursus en het aantal uren per week anders te bepalen1).

Om misbruiken te voorkomen voegt het derde lid van art. 21 aan bovengenoemde bepalingen van het tweede lid van dat artikel nog het verbod toe, dat gedurende de uren, voor het vervolgonderwijs aangewezen, in de daarvoor bestemde lokalen aan de klassen der lagere school, welke in die lokalen worden onderwezen, geen onderwijs mag worden gegeven.

Het leerplan moet bevatten ten minste vier der vakken, vermeld in art. 2, i waarvan ten minste twee behoorende tot die, vermeld in het eerste lid van dat artikel. Het mag bovendien andere vakken omvatten, doch slechts voor zoover dit vakken zijn, die geacht worden tot het nijverheidsonderwijs te behooren, en zoolang in het onderwijs in die vakken ter plaatse niet wordt voorzien door uitvoering van de nijverheidsonderwijswet.

In de memorie van antwoord, eerste kamer, heeft de minister nog verklaard, dat de vrijheid om het vervolgonderwijs uit te strekken tot andere vakken dan in art. 2 2) zijn vermeld, in den tweeden volzin van dit vijfde lid van art. 21 uitdrukkelijk is beperkt tot de vakken „die geacht worden tot het nijverheidsonderwijs te behooren". Aangezien godsdienstonderwijs niet geacht kan worden daartoe te behooren, kan dit vak geen deel uitmaken

) Memorie van antwoord tweede kamer. ) Voor artikel 2 zie men bladz. 11.

Dagen en uren voor het vervolgonderwijsbestemd.

)e

servakken.

Sluiten