Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1,3 Hfdst. VIII § 10

vast te stellen. Met inachtneming van die regelen stellen burgemeester en ' wethouders de belooningen vast.

Deze regelen zijn te vinden in het bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1920.

Bij koninklijk besluit van 16 December 1920 (st.bl. no. 899) is o. m. aan het bezoldigingsbesluit ook toegevoegd art. 4\b, bepalende, dat op de onderwijzers, bedoeld in art. 34 (en ook op die van het bijzonder vervolgonderwijs bedoeld in art. 98, eerste lid, onder c) der lager-onderwijswet 1920, van toepassing zijn de navolgende bepalingen van het bezoldigingsbesluit, ten aanzien van welke derhalve onder de burgerlijke rijksambtenaren ook de onderwijzers zijn begrepen:

Art. 1, eerste lid; art. 2, eerste lid; art. 4, eerste gedeelte tot en met „verrichten ; art. 7; art. 23; art. 24, eerste lid onder a en b, tweede en derde lid; en art. 40; zulks met dien verstande, dat ten aanzien van de bovenbedoelde onderwijzers de vermindering volgens art. 2, eerste lid, wordt toegepast op het totaal bedrag der belooning over een cursus voor het vervolgonderwijs, en dat de op deze wijze verminderde bezoldiging tot een tiental van guldens naar boven wordt afgerond.

De aangehaalde bepalingen van het bezoldigingsbesluit betreffen:

De afronding van het gezamenlijk bedrag der bezoldiging op een tiental van guldens. (Art. 1, eerste lid.)

Den aftrek van 4 of 8 percent wegens standplaats (art. 2, eerste lid) met inachtneming van het slot van het hierboven weergegeven art. 416 van het besluit.

De bepaling, dat als standplaats wordt aangemerkt de gemeente of het onderdeel eener gemeente, waar de ambtenaar zijn werkzaamheden moet verrichten. (Art. 4, eerste gedeelte.)

Den dag van ingang der bezoldiging. (Art. 7.)

De bemoeiingen van Je commissie voor georganiseerd overleg met de [regeling der bezoldiging. (Art. 23 en art. 24, eerste lid, a en b, tweede en derde lid.)

De mogelijkheid van salarisverlaging bij vermindering der heerschende duurte. (Art. 40.)

Voor zooveel deze onderwerpen eenige toelichting noodig hebben wordt

j verwezen naar paragraaf 7 van dit hoofdstuk.

Art. IV van bijlage B van het bezoldigingsbesluit luidt: „De onderwijzer aan een cursus voor vervolgonderwijs! als bedoeld in 1

;art 2] der lager-onderwijswet 1920, geniet als zoodanig een belooning !

welke, op den grondslag van ƒ 104 - per kalenderjaar voor elk door hem '

te geven wekehjksch lesuur, berekend wordt naar het aantal weken, dat

Adm. recht III

8

1

Het bedrag der bezoldiging voor het

onderwijs.

113

Sluiten