Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

Hfdst. VIII § 12

De hoofdinspecteurs, de inspecteurs en de schoolopzieners mogen geen ambten of bedieningen bekleeden zonder toestemming der Kroon. (Art. 173, vierde lid). Voor de verklaring van de woorden „ambten of bedieningen" kunnen de beslissingen, betreffende de toepassing van art. 38 der wet van 1878, waarbij aan de onderwijzers verboden was ambten of bedieningen te bekleeden, een wegwijzer zijn. Er is toen aangenomen, dat deze uitdrukking dezelfde algemeene beteekenis heeft als het woord „betrekking".

Aan de hoofdinspecteurs en de inspecteurs, niet aan de schoolopzieners, kunnen bureau-ambtenaren worden toegevoegd. Deze worden niet door de Koningin, maar door den minister benoemd, geschorst en ontslagen. Ook zij genieten een vaste jaarwedde (art. 174), geregeld in bijlage A van het bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1920.

Tot uitvoering van art. 175 der wet bepaalt het koninklijk besluit van 6 November 1920, no. 36, dat aan eiken hoofdinspecteur en aan den inspecteur van het buitengewoon onderwijs een bureau-ambtenaar en zoo noodig een klerk wordt toegevoegd; aan eiken inspecteur, een bureauambtenaar en bovendien een of zoo noodig meer klerken.

Voor deze ambtenaren moet door dén minister een instructie vastgesteld worden.

Het invoeren van deze bureauambtenaren heeft vooral ten doel te voorkomen, dat de schoolopzieners te veel de administratieve helpers der inspecteurs zullen zijn.

Omtrent de wijze van vervanging van hoofdinspecteurs, inspecteurs en schoolopzieners in geval van ziekte, afwezigheid, schorsing of ontstentenis, moeten v°lgens art. 175 door de Koningin regels gegeven worden. Het \ koninklijk besluit van 6 November 1920, no. 36, bepaalt dienaangaande, 1 dat de hoofdinspecteur vervangen wordt door een der door den minister aan te wijzen inspecteurs binnen zijn ambtsgebied, de inspecteur door een der door den minister aan te wijzen schoolopzieners binnen zijn ambtsgebied werkzaam, terwijl in strijd met hetgeen art. 175 der wet bepaalt omtrent de vervanging van de schoolopzieners niets bepaald is. Dit is ook minder noodig daar voor deze titularissen geen zelfstandigen werkkring afgebakend is, maar zij slechts onder den inspecteur werkzaam zijn.

De hoofdinspecteurs, de inspecteurs en de schoolopzieners en de ambte- I naren van het plaatselijk schooltoezicht, moeten bij de aanvaarding hunner 1 bediening den eed of de belofte afleggen, dat zij hun plichten getrouw en h naar behooren zullen waarnemen1). Zij leggen dezen eed of deze belofte * af in handen van den minister. Bij overplaatsing of herbenoeming wordt de eed of belofte niet opnieuw afgelegd (art. 177).

) Voor het afleggen van eed of belofte wordt verwezen naar het eerste deel.

Verbod van het bekleeden van ambten of bedieningen.

Bureauambtenaren.

Vervanging van de leden van het rijksschooltoezicht.

De

ueeediging Ier leden van iet rijkschooltoezicht.

Sluiten