Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

125 Hfdst. VIII § k

men het in de hand op de bewaarscholen van een bepaald gebied en op hel onderwijs van de eerste leerjaren der lagere school speciaal toezicht var vrouwen te verkrijgen, en tevens, doordien zij den inspecteur bijstaan die haar werkzaamheden opdraagt, haar controleert, van haar adviezer gebruik maakt, toch het verband tusschen beide soorten van scholen bewaren. Een getal van tien dezer schoolopzieners achtte de minister aani vankelijk voldoende1).

Art. 189 luidt: „De scholen, waarin geen kinderen boven de zes jaren worden toegelaten en geen ander dan voorbereidend onderwijs gegeven wordt, zijn onderworpen aan de bepalingen van de artt. 7 en 179".

Voor artikel 7 wordt verwezen naar bladz. 19 en volgende.

Door art. 179 gelden voor de bewaarscholen alle bepalingen welke voor het schoolbezoek gegeven zijn, zoowel voor het rijks- als voor het plaatselijk schooltoezicht.

Ook de bewaarscholen, zoo openbare als bijzondere, moeten dus voor de hoofdinspecteurs, de inspecteurs, de schoolopzieners, de leden van het college van burgemeester en wethouders, de voorzitters en leden der plaatse-

I lijke commissie van toezicht en de ambtenaren van het plaatselijk toezicht, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsgebied, steeds toegankelijk zijn en op hun aanvrage onverwijld worden geopend. De hoofden dier scholen en de overige onderwijzers zijn gehouden aan hen of aan den minister de verlangde inlichtingen omtrent de school en het onderwijs te geven. Zij zijn hiertoe verplicht in eiken vorm, waarin die inlichtingen gevraagd worden, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, en zoowel bij gelegenheid van het

I schoolbezoek, als op andere tijdstippen.

Er wordt in art. 189 gesproken van scholen, waarin geen kinderen boven de zes jaar worden toegelaten en geen ander dan voorbereidend onderwijs wordt gegeven, welke uitdrukking ontleend is aan art. 15c der wet van 1878. Men heeft in dat artikel het woord bewaarscholen vermeden, omdat niet

\ vaststaat wat men daaronder verstaan moet, en daarom heeft men getracht door een omschrijving te bepalen hetgeen bedoeld wordt. Bewaarscholen welke zuiver kinderbewaarplaatsen zijn en waar in het geheel geen onderwijs gegeven wordt, vallen dus niet onder de wet 2).

„Het plaatselijk schooltoezicht wordt uitgeoefend door burgemeester en

*) In het bij koninklijke boodschap van 28 Augustus 1920 ingediend wetsontwerp tot regeling van het bewaarschoolonderwijs is dit stelsel gehandhaafd. Als deze wet in werking zal zijn getreden ; vervalt art. 189 der lager-onderwijswet 1920.

a) In het ontwerp van wet tot regeling van het bewaarschoolonderwijs, ingediend bij koninklijke boodschap van 28 Augustus 1920, vindt men deze definitie: „Onder bewaarscholen verstaat deze wet de scholen, waarin alleen kinderen boven den driejarigen en beneden den leerplichtigen leeftijd worden toegelaten en geen ander dan voorbereidend onderwijs wordt gegeven".

Burgemeester en

wethouders oefenen het plaatselijk schooltoezicht uit.

125

Sluiten