Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d

g

d t

z

2

De

commissie en . het rijksschooltoezicht. I

1

" |1

Gemeentelijke ambtenaren van het plaatselijk school-, toezicht.

Hfdst. VIII § 12 130

Dit laatste is voorgeschreven om te voorkomen, dat het lidmaatschap der commissie voor de onderwijzers schadelijk zou kunnen zijn voor de geregelde uitoefening van hun taak.

Zooals reeds is opgemerkt, is het niet de bedoeling van den wetgever, dat de commissie het regelmatig schoolbezoek tot het hoofddoel van haar bestaan zal maken. Schoolbezoek is niet uitgesloten, doch dient hootdzakelijk plaats te hebben in verband met een bij de commissie aanhangige

"öé hoofdinspecteurs moeten ook door mondeling en schriftelijk overleg met de commissiën van toezicht de verbetering en den bloei van het lager schoolwezen bevorderen. (Art. 180.)

De inspecteurs moeten met de commissiën van toezicht en de gemeentebesturen in overleg treden. (Art. 181.)

Art 183 luidt: „De hoofdinspecteurs en de inspecteurs hebben toegang tot de' vergaderingen van alle commissiën, bedoeld in art. 176, tweede lid, binnen hun ambtsgebied en kunnen zoodanige vergaderingen beleggen. De schoolopzieners hebben mede toegang tot die vergaderingen. In de vergaderingen hebben zij een raadgevende stem."

Hieruit volgt, dat van het beleggen van een vergadering der plaatselijke commissie kennis dient gegeven te worden aan de leden van het rijksschooltoezicht.

De artt 14 en 32 van het koninklijk besluit van 6 November ÏVZU, no. 36, bepalen dienaangaande nog dat telkens, wanneer de hoofdinspecteur de vergadering eener plaatselijke commissie wil bijwonen of beleggen en hij de tegenwoordigheid van den inspecteur of van schoolopzieners wenschelijk acht hij dezen hiervan moet kennis geven met uitnoodigmg tegenwoordig te zijn. Hetzelfde geldt voor den inspecteur ten aanzien van schoolopzieners. , e Als derde tak van het plaatselijk schooltoezicht kunnen optreden daarvoor aangestelde ambtenaren. Het derde lid van art. 176 geeft aan den gemeenteraad de bevoegdheid ter nadere verzekering van het plaatselijk schooltoezicht ambtenaren aan te stellen. In tegenstelling met hetgeen ten aanzien van de plaatselijke commissies van toezicht is bepaald, behoeven deze ambtenaren niet in elke gemeente te zijn; of zij er al of niet zullen zijn is aan de prudentie van den gemeenteraad overgelaten.

In de memorie van toelichting werd omtrent deze ambtenaren het volgende gezegd: „Als leemte is tot dusver gevoeld, dat de ambtenaren, die hier en daar van gemeentewege werden benoemd om burgemeester en wethouders bij het hun door de wet opgedragen plaatselijk toezicht over het lager onderwijs behulpzaam te zijn, geen wettelijk erkende positie

130

Sluiten