Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

145

Hfdst. VIII § 13

Voor de spoedige vorming van een vaste jurisprudentie omtrent dit punt, was het gewenscht geweest, dat het recht van beslissing bij verschil tusschen gemeente- en schoolbestuur onmiddellijk aan de Kroon was toegekend.

In no. 1016 van het weekblad voor den Ned. bond van gemeenteambtenaren betoogt de heer mr. G. A. van Poelje, dat er in het geheel geen aanleiding is om de beslissing op de aanvraag, met de beperkingen, welke de wet daarvoor gesteld heeft, aan den raad op te dragen.

Waar de „medewerking" van den raad alleen mag geweigerd worden, wanneer de in art. 73 bedoelde verklaringen niet zijn overgelegd of niet in orde zijn — het onderzoek hiernaar is toch waarlijk meer een daad van eenvoudige uitvoering dan van bestuur — is het eenigszins moeilijk in te zien, waarom het noodig was voor deze daad van zelfbestuur den raad in het gareel te spannen.

Ingeval van verbouwing van bijzondere scholen bestond hiertoe in beginsel nog minder aanleiding, omdat dan de raad heelemaal niets heeft in te brengen. Dan toch moet ook worden overgelegd de verklaring betreffende de waarborgsom van 15 % der bouwkosten en verder niets.

Alleen moet worden vermeld „of de verbouwing gewenscht wordt wegens toeneming van het getal leerlingen boven het maximum, waarvoor het gebouw bij de stichting bestemd werd, of wegens verlaging van het maximum getal leerlingen per klasse of wegens andere redenen".

Ook in dit geval mag de raad zijn „medewerking" slechts weigeren, als aan de „in art. 73 omschreven vereischten" niet is voldaan.

Men versta ons wèl, zoo zegt de heer Van Poelje, wij doen geen aanval op de beginselen der nieuwe schoolwet. Wij zijn ook voor kromme sprongen van de zijde der schoolbesturen niet zoo bezorgd; ook zij, die daarin zitten, betalen gelukkig hun belastingen en weten zeer goed, dat als zij de onderwijskosten voor de gemeente noodeloos opjagen, de gevolgen daarvan ten slotte toch op hun eigen hoofd neerkomen. Maar, als wij voor een keer ook ereis kampioen voor de grondbeginselen van ons gemeenterecht mogen zijn, dan moeten wij tegen een regeling, die den raad tot marionet maakt, protesteeren met nadruk en met klem.

Het besluit van den raad, zoowel als het inwilliging, als wanneer het weige- ] ring van de aanvraag betreft, moet binnen een week aan het schoolbestuur 1 worden medegedeeld en openbaar bekend gemaakt worden. Heeft deze , mededeeling of bekendmaking niet binnen een week plaats gehad, dan wordt de gemeenteraad geacht met het eindigen van den termijn van drie maanden na het indienen der aanvraag tot medewerking te hebben besloten en de vragen omtrent het openbaar u. 1. o. en het aantal leerlingen per klasse der openbare scholen ontkennend te hebben beantwoord. (Art. 76, eerste lid.) Aam. recht III 10

Waarom wordt hier de raad in het gareel gespannen?

Bekendmakingvan het raadsbesluit.

Sluiten