Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

147

Hfdstt. VIII § 13

is openbaar gemaakt, of, omdat de raad niet tijdig handelde, geacht wordt te zijn genomen, „ieder ingezetene" daarvan bij gedeputeerde staten in beroep mag komen, brengt al weinig baat. Want „ieder ingezetene", zal de beslissing van den raad alleen kunnen aanvechten, omdat deze binnen de door de wet getrokken grenzen verkeerd handelde, en de gedeputeerde staten, den onderwijsraad gehoord, op het beroep beslissende, kunnen ook al niet anders doen dan nagaan, of de raad-marionet op het oogenblik, dat hij behoorde te knikken, inderdaad geknikt heeft, of den kop behoorlijk heeft stilgehouden, toen hij niet knikken mocht.

Deze regeling is in de wereld gekomen, doordat in het oorspronkelijk ontwerp reeds bij het inleidend adres aan den raad een begrooting van kosten moest worden ingezonden en dus, door de regeling van het hier bedoelde recht van beroep, een mogelijkheid was geschapen om ook de ingediende kostenbegrooting aan het oordeel van gedeputeerde staten en de Kroon te onderwerpen.

Eén goede kant kan er aan het beroepsrecht van den ingezetene nog wel worden ontdekt.

Ook tegen het handelen of niet-handelen, bedoeld in de leden 3 en 4 van art. 75, kan het zijn gericht, dus ook tegen het geval, dat de raad door concurrentiezucht te veel of door sloomheid te weinig voor het openbaar onderwijs wil doen.

In de laatste zin van het derde lid van art. V6 der wet is uitdrukkelijk bepaald, dat bij weigering van een gemeentebestuur om volgens de beslissing van gedeputeerde staten te handelen, art. 212 der gemeentewet van toepassing is. Dit zou ook wel zoo zijn al was dit hier niet uitdrukkelijk gezegd; immers indien de raad eener gemeente mocht weigeren aan de beslissing van gedeputeerde staten betreffende de opdracht tot stichting eener school voor uitgebreid lager onderwijs; om met een andere gemeente een gemeenschappelijke regeling te treffen, of om het getal leerlingen per klasse van bepaalde scholen te verlagen, uitvoering te geven, ontstaat een verhouding, welke door toepassing van art. 126, tweede lid, en desnoods art. 127 der gemeentewet opgelost zal moeten worden.

Juist voor gevallen als deze heeft de gemeentewet bepaald, dat als de raad een door wet of algemeenen maatregel van bestuur gevorderde medewerking weigert, burgemeester en wethouders daarin voorzien, en dat, als ook burgemeester en wethouders nalatig blijven, de commissaris der Koningin optreedt.

En als de raad de noodige gelden niet op de begrooting uittrekken wil, dan zijn dit toch ook uitgaven, door een bijzondere wet aan de gemeente opgelegd, dus uitgaven, onder x, van art. 205 der gemeentewet bedoeld, waarvoor zonder eenig nader wetsvoorschrift art. 212 mede geldt.

Weigering van een gemeentebestuur om aan de beslissing van gedeputeerde staten te voldoen.

Sluiten