Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

149

Hfdst. VIII § 13

doen. Slechts in één geval zal het verplicht kunnen worden een gebouw van de gemeente aanvaarden."

Dit eene geval is omschreven in het tweede lid van art. 77, waar bepaald is, dat, indien de gemeenteraad een bestaand gebouw geheel of ten deele, al of niet verbouwd, als schoolgebouw beschikbaar wil stellen en de inspecteur verklaard heeft, dat daartegen naar zijn oordeel geen bezwaar bestaat en het schoolbestuur weigert dat gebouw te aanvaarden, de gemeenteraad de beslissing van den minister kan inroepen. Deze beslist, den inspecteur en den onderwijsraad gehoord.

Het zou onredelijk zijn aan de gemeente de verplichting op te leggen ook dan de gelden ter oprichting van een nieuw gebouw te verschaffen, als de gemeente de beschikking heeft over een geheel of gedeeltelijk leegstaand gebouw, tenzij het bestaande gebouw bijv. door zijn ligging, voor het beoogde doel ongeschikt is.

Het tweede lid van art. 77 spreekt van het ten deele beschikbaar stellen van een bestaand gebouw en opent daardoor de mogelijkheid, dat in eenzelfde gebouw een openbare en een bijzondere school gevestigd wordt of ook wel dat twee bijzondere scholen in hetzelfde gebouw onderdak gebracht worden.

Voor het geval, dat de aanvraag betreft het stichten van een schoolgebouw vanwege de gemeente, zal meestal de aanvraag wel zoo ingericht zijn, dat zoo dit niet mogelijk blijkt provisioneel de benoodigde gelden gevraagd worden, daar, zooals hierboven is opgemerkt, volgens het eerste en het derde lid van art. 77, behoudens het eene geval, waarin genoegen genomen moet worden met een bestaand gebouw, de stichting van het schoolgebouw alleen dan door de gemeente zal geschieden, indien burgemeester en wethouders dit mogelijk achten en tusschen de gemeente en het schoolbestuur overeenstemming verkregen is omtrent de keuze van het terrein en het bestek voor den bouw en nooit van te voren te zeggen is of die overeenstemming te verkrijgen zal zijn.

Om het bereiken van deze overeenstemming niet te vertragen, moeten burgemeester en wethouders, indien zij van oordeel zijn, dat de stichting van het schoolgebouw, waarop de aanvrage betrekking heeft, door de gemeente kan geschieden, zoo spoedig mogelijk na de indiening der aanvrage overleg met het schoolbestuur openen. (Art. 77, eerste lid).

Hoewel de memorie van toelichting aanleiding zou kunnen geven tot de meening, dat de raad niets anders te doen heeft, dan op de aanvrage te beschikken of eventueel een bestaand schoolgebouw beschikbaar te stellen en al het andere aan burgemeester en wethouders is overgelaten, zal de raad toch zeker omtrent het terrein en het bestek ook nog wel medezeg-

De

gemeenteraad

wil een

bestaand

gebouw

beschikbaar

stellen.

Het stichten van een schoolgebouw vanwege de gemeente.

Sluiten