Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 13

152

g f<

V

h

s

c

s

1 I

(

" J 1

]

Burgemeester en

wethouders kannen tegen de plannen in het belang der gemeente bezwaar maken.

geerde eerste lid van art. 78, hoewel in de laatste twee gevallen er dan feitelijk geen termijn gesteld is, indien de maand na de indiening van het verzoek op het tijdstip, waarop burgemeester en wethouders kunnen handelen, reeds verstreken is.

De beschikbaarstelling, wordt slechts geweigerd, wanneer de noodige stukken niet of niet behoorlijk zijn overgelegd. (Art. 78.)

In de memorie van toeUchting bij de vierde nota van wijziging, waarbij dit artikel en ook art. 77 in de wet is opgenomen wordt gezegd: „De bejbssing over de aanvraag van gelden kan uiteraard niet vallen, dan nadat het besluit van den raad, in art. 78 bedoeld, onherroepelijk is geworden. De beslissing tot uitkeering van gelden is dan een daad van uitvoering, gebonden aan wettelijke regelen, welke aan burgemeester en wethouders kan worden opgedragen. Alleen wanneer de gemeente een schoolgebouw beschikbaar stelt, hetgeen vervreemding van' gemeenteëigendommen kan medebrengen, is het noodig, dat de raad optreedt.

Ook voor de beslissing van burgemeester en wethouders geldt art. 2 van het koninklijk besluit van 30 December 1920 (st.bl. no. 953) *) zoodat het bestuur der instelling of vereeniging verplicht is zonder voorbehoud alle inhchtingen te verstrekken, welke het gemeentebestuur voor de beoordeeling van de stukken noodig acht en zulks binnen een door het gemeentebestuur daarvoor te stellen termijn. Omtrent de beslissing op het verzoek is drieërlei mogelijk: a burgemeester en wethouders stellen de geraamde kosten beschikbaar; b. zij weigeren de beschikbaarstelling en c. zij hebben bezwaren.

Van de beslissing van burgemeester en wethouders is niet, zooals van de beslissing van den raad beroepsrecht aan de ingezetenen gegeven. r Indien burgemeester en wethouders bezwaar hebben tegen het bestek, tegen de keuze van het terrein of tegen de voorgenomen eerste innchüng,, .„ of de raming der kosten te hoog achten en dit bezwaar met door^overleg in kan worden opgeheven, roept het gemeentebestuur of het schoolbestuur te de beslissing van den minister in. Deze beslist binnen twee maanden, den inspecteur en den onderwijsraad gehoord. (Art. 77, derde lid.) Hoewel deze stukken niet de goedkeuring van burgemeester en wethouders behoeven, komt in de praktijk het recht om bezwaren te maken toch feitelijk met het goedkeuringsrecht overeen.

Zoowel door burgemeester en wethouders als door het schoolbestuur kan de beslissing van den minister ingeroepen worden en vooral omdat burgemeester en wethouders die beslissing ook kunnen inroepen op grond, dat de raming der kosten te hoog is, is dit recht van zeer groot belang.

x) Vergelijk bladz. 142 en 143.

Sluiten