Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

163

Hfdstt. VIII § 13

gemeente, waar die school is gevestigd, heeft deze gemeente aanspraak op een uitkeering van de gemeenten, waarin die kinderen woonachtig zijn, in de kosten der vergoeding, in dat artikel bedoeld.

De uitkeering wordt telken jare voor elke gemeente bepaald op zoodanig gedeelte van de bedoelde totaalsom en vergoeding als wordt uitgedrukt door een breuk, waarvan de teller is het getal, dat aanwijst het gemiddelde aantal leerlingen, hetwelk in het voorafgaande jaar de school heeft bezocht en in die gemeenten woonachtig was, en de noemer het getal, dat aanwijst het gemiddelde, van het geheele aantal leerlingen, hetwelk in dat jaar de school heeft bezocht.

Woonachtig beteekent gevestigd zijn; het. komt aan op de werkelijke woonplaats der kinderen; in welke gemeente hun burgerrechtelijk domicilie is, doet niets ter zake. Zoo zijn bijv. voogdijkinderen woonachtig in den zin van deze wetsbepaling in de gemeente, waar het gesticht staat, waarin zij verblijven en die gemeente zal geen verhaal hebben op de gemeente, waar deze kinderen domicilie hebben.

In de memorie van antwoord eerste kamer is dit nog eenigszins verduidelijkt naar aanleiding van een opmerking omtrent kinderen uit voogdijgestichten. De regeering voerde daar o. m. het volgende aan: „Volgens het stelsel der wet komen de kosten wegens schoolbouw voor rekening der gemeente. Elke gemeente zal hebben te voorzien in de behoefte aan schoollokalen voor de op haar gebied wonende kinderen. Hierbij kan natuurlijk alleen rekening worden gehouden met de werkelijke woonplaats. De vraag of die kinderen in een voogdijgesticht of bij hun ouders inwonen, blijft dus buiten beschouwing. Alleen wanneer bijv. een in de gemeente A gevestigde school bezocht wordt door kinderen, die in de gemeente B wonen, heeft eerstbedoelde gemeente aanspraak op de onderwerpelijke uitkeering van de gemeente B en zulks op grond van de overweging, dat laatstbedoelde gemeente zich niet kan onttrekken aan de verplichting om mede de schoolruimte te bekostigen voor de kinderen, die op haar gebied wonen. Instellingen of vereenigingen voor kinderbescherming staan dus buiten deze verrekering tusschen de betrokken gemeenten. De voogdijkinderen, die in het gesticht te Heer worden opgevoed, hebben in deze gemeente hun werkelijke woonplaats. De omstandigheid, dat het bestuur van dat gesticht te Maastricht is gevestigd legt aan deze gemeente geenszins de verplichting op om aan de gemeente Heer uitkeeringen te doen volgens art. 86.

Art. 8 van het koninklijk besluit van 30 December 1920 (st.bl. no. 953) Administmbevat de administratieve voorschriften voor het uitbetalen dezer uitkeerinjr. tl"e./oor"

.... # ° schntten

Indien m een gemeente een bijzondere lagere school, waarvan de kosten voor het

Sluiten