Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

165 Hfdst. VIII § 13

Ten opzichte van bestaande scholen, deel uitmakende van een niet uitsluitend voor het geven van schoolonderwijs bestemd gebouw, bedoeld in art. 84 (zie bladz. 162), wordt als grondslag der schatting aangenomen het bedrag, hetwelk in de gemeente, waar het gebouw gevestigd is, de bouw en de eerste inrichting, met inbegrip van de schoolmeubelen, op 1 Juli 1914 of ten tijde van de opening der school zouden kosten van een school bestemd voor zooveel leerlingen als op I Januari 1921 op die bijzondere school waren ingeschreven. De vergoeding volgens dat wetsartikel wordt berekend over tachtig ten honderd van het aldus geschat bedrag. Tot gebouwen, hier bedoeld, behooren in de eerste plaats de gestichtsgebouwen, waarvoor art. 84 is geschreven, doch bijv. ook scholen, waarboven de onderwijzerswoning is.

Voor al de genoemde schattingen gelden ook de bepalingen, welke op bladz. 141 en 142 genoemd zijn voor de schatting van den grond, eigendom van de instelling of vereeniging, voordat tot den bouw van een nieuwe school met geld der gemeente wordt besloten. (Art. 205, eerste, vijfde en zesde lid.)

Schoolgebouwen, die door het schoolbestuur zijn gehuurd, vallen buiten de toepassing van art. 205 der wet. De huur van die gebouwen zal worden begrepen in de jaarlijksche vergoeding uit de gemeentekas, bedoeld in art. 98. Op dezelfde wijze zullen de kosten wegens erfpacht van den grond worden vergoed.

Onder scholen „in aanbouw", bedoeld in het eerste lid van art. 205, zullen zijn te verstaan scholen, waarvan de bouwkundige stukken voor of op het in dat hd bedoeld tijdstip overeenkomstig de bepalingen van art. 1 van het koninklijk besluit van 25 Juni 1912 (st.bl. no. 193)1) aan het rijksschooltoezicht zijn ingediend.

Berekend naar deze geschatte waarde moeten de gemeenten, te rekenen van 1 Januari 1922 aan de schoolbesturen, die aan zoodanige voorwaarden voldoen, dat zij *in aanmerking komen voor vergoeding der kosten van instandhouding der scholen uit de kassen van rijk en gemeente, een jaariKjksche vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt zooveel ten honderd van de geschatte waarde als de drie ten honderd rentegevende nationale schuld op den eersten beursdag van het jaar der schatting voor den verkrijger afwerpt, vermeerderd met een half ten honderd. Zie hiervoor hetgeen op bladz. 155 en 156 is opgemerkt.

Regelen voor de uitbetaling van deze vergoedingen zijn gegeven bij koninklijk besluit van 30 Mei 1921 (st.bl. no. 749) met inachtneming van

Vergoeding door de gemeente aan de schoolbesturen te betalen.

; uit is net besluit tot vaststelling van de regelen omtrent den bouw en de inrichting van schoollokalen volgens de wet van 1878. Dit besluit is vervangen door dat van 3 Maart 1921 (st.bl. no. 95).

165

Sluiten