Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

169

Hfdst. VIII § 13

die vergoeding zal wórden-uitgekeerd achtte de regeering niet noodig, omdat de uitkeering wordt beheerscht door het aantal jaren gedurende hetwelk de school na het in werking treden der wet nog zal worden gebruikt.

Deze regeling past ook in het stelsel der wet, n.1. dat het schoolbestuur eigenaar is van het gebouw. De jaarlij ksche uitkeering heeft in dit stelsel het karakter van vergoeding voor het gebruik ten dienste van het lager onderwijs. Het schoolbestuur behoudt hierdoor de vrije beschikking over het zonder eenigen financieelen steun der gemeente gesticht schoolgebouw. Er is niet uitdrukkelijk in de wet vastgelegd, dat deze betaling ophoudt als het schoolgebouw zijn bestemming verloren heeft. Dit is evenwel de bedoeling van den wetgever, zooals ook uit de memorie van toelichting en ook uit art. 205, derde lid, der wet blijkt, waar staat: „Gedeputeerde staten kunnen beslissen, dat de instelling of vereeniging blijvend heeft opgehouden het gebouw overeenkomstig zijn bestemming te gebruiken, of dat aanwezig is het geval, dat de school voor gewoon lager onderwijs gedurende drie achtereenvolgende jaren bezocht is door minder dan vijf en twintig of de school voor uitgebreid lager onderwijs door minder dan twaalf leerlingen. Zij bepalen daarbij den datum, waarop een of ander moet geacht worden aanwezig te zijn." Met deze wetsbepaling kan niets anders bedoeld zijn, dan een datum vast te stellen, waarop de verplichting tot het betalen der vergoeding ophoudt.

Het koninklijk besluit van 30 Mei 1921 (st.bl. no. 749) bevat hiervoor de volgende uitvoeringsvoorschriften.

Wanneer het terrein en het gebouw of de gebouwen geheel of gedeeltelijk worden verkocht of op andere wijze worden vervreemd, geeft het schoolbestuur daarvan binnen tien dagen kennis aan het gemeentebestuur met mededeeling tevens van het bedrag der opbrengst.

Indien het terrein en het gebouw of de gebouwen niet meer overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, geeft het schoolbestuur daarvan eveneens binnen tien dagen kennis aan het gemeentebestuur. Gelijke kennisgeving geschiedt, indien vaststaat dat de school, als het geldt een school voor gewoon lager onderwijs gedurende drie achtereenvolgende jaren door minder dan vijf en twintig of als het geldt een school voor uitgebreid lager Onderwijs, gedurende drie achtereenvolgende jaren door minder dan twaalf leerlingen is bezocht. Het aantal leerlingen wordt berekend naar den maatstaf van art. 28, zesde lid, der wet.

Ter zake van de uitgaven der gemeenten voor het bijzonder onderwijs ' fkan het rijk slechts subsidie verleenen in de rentevergoeding van de bij ' het inwerkingtreden der wet bestaande bijzondere scholen. Volgens het ■ zevende lid van art. 205 kan, indien de Kroon, gedeputeerde staten ge- '

betalen der vergoeding.

Subsidiëering Ier

[emeenten tït 's rijks

Sluiten