Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

171

Hfjdst. VIII § 13

Aan het slot van dit artikel wordt een nieuw zevende' lid toegevoegd, luidende:

„Indien Wij, gedeputeerde staten gehoord, oordeelen dat een gemeente door de uitgaven ten gevolge van dit artikel in verhouding tot haar middelen en andere uitgaven onbillijk wordt bezwaard, kan haar uit 's rijks kas deswege een jaarlij ksche tegemoetkoming worden verleend. Deze tegeI moetkoming kan om de vijf jaren worden herzien."

Door den heer Dresselhuijs c. s. is daarop een amendement ingediend, strekkende om aan het slot van den eersten zin van het nieuwe zevende lid van art. 205 de punt weg te laten en dan te laten volgen „volgens regelen te stellen bij algemeenen maatregel van bestuur".

De heer Dresselhuys heeft tot toelichting van het amendement gezegd: „De minister heeft verleden Vrijdag een nieuw zevende lid toegevoegd aan art. 205 betreffende steun in bijzondere gevallen aan gemeenten ter verlichting van den druk bij het overnemen van de gebouwen van bijzondere scholen. Dit beginsel is zeker verdedigbaar. Het komt mij echter voor, dat een enkele bereidwilligheid van den minister in deze niet als wettelijke basis dienen kan. De minister heeft gezegd, dat hij bij overleg met zijn | ambtgenoot van financiën een potje gevonden heeft van 4.6 millioen en Wit naar behoefte zal verdeelen. Maar dit zijn subjectieve opvattingen, die tot het systeem leiden, dat de toekenning zou wisselen in verband met de verschillende ministers van onderwijs. De eene minister kan meenen, dat de gemeente X verdient een zekere vergoeding en de andere dat de gemeente Y daarvoor in aanmerking komt; de eene minister kan zich baseeren op het potje van 4.6 millioen en de andere op een extra potje. Daarom komt het ons gewenscht voor, dat in deze meer zekerheid wordt verkregen en vandaar ons amendement."

De minister heeft het amendement overgenomen. In de eerste kamer zei de minister nog:

Voor dat doel heb ik voor de gemeenten de beschikking over de ƒ 4.600.000,—, die krachtens de wet-Kuyper aan de gemeenten minder wordt uitgekeerd. Nu zeide de heer van Nierop gisteren, dat dat niet gereserveerd is, maar dat dat in de staatsuitgaven is versmolten. Heelemaal Buist is dat niet. Want die aftrek volgens genoemd art. %is van de wet van 1905, ingelast in de wet van 1897, wordt ieder jaar toegepast op het bedrag, dat zonder dat art. 9bis zou moeten worden uitgekeerd. En na de totstandBroming van deze wet is dat bedrag van ƒ 4.600.000,— bestemd voor de gemeenten, bedoeld in art. 205, zevende lid.

Het koninklijk besluit, dat regels geeft voor de verdeeling van deze ƒ 4.600.000,— is (Juli 1921) nog niet verschenen.

Sluiten