Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfpst. VIII § 13

172

3 Het uitbreiden van het gebouw eener bestaande chool of het veranderen der inrichting van zoo-

Bepalingen, geldende bij verandering van een bestaand gebouw.

De aanvraag,

danig g e b o u w.

De op 1 Januari 1921 bestaande of in aanbouw zijnde gebouwen voor de bijzondere scholen kunnen door nieuwe vervangen moeten worden en dan gelden daarvoor behoudens een enkele afwijking, waarop hiervoren (bladz. 144) gewezen is, dezelfde bepalingen als voor het oprichten van nog niet bestaande bijzondere scholen. Dit is ook het geval bij het vervangen door nieuwe van de gebouwen eener bijzondere school, waarvan de aanbouw na 1 Januari 1921 begonnen is.

Bij uitbreiding, verbouw of verandering van inrichting van deze gebouwen gelden bepalingen, welke op meerdere punten afwijken van die welke voor | nieuwbouw zijn gegeven en het maakt daarbij geen verschil of het gebouw op 1 Januari 1921 reeds bestond of in aanbouw was, dan wel of het een gebouw betreft, dat eerst later gebouwd is.

De wet spreekt van verbouw of verandering der inrichting naast uitbreiding, omdat die nog om andere redenert dan uitbreiding gewenscM kon zijn. In de toelichting bij de vierde nota van wijziging werd daarvoor gewezen op verzwaring der eischen krachtens art. 6 der wet gesteld en op het geval, dat een bestaande inrichting minder doelmatig blijkt „hetzj ten gevolge van veranderingen in de omgeving, welker gewicht nog met erkend werd,.toen het gebouw gesticht werd, hetzij ten gevolge van andere omstandigheden. (Bijv. aansluiting van een nieuw electrisch net of een waterleiding)", a Evenals voor het vestigen eener nieuwe of het vervangen van een bestaande school door een geheel nieuwe, bepaalt art. 72, dat het bestuur] eener rechtspersoonlijkheid bezittende instelling of vereeniging, welke in een gemeente een bestaande bijzondere lagere school wenscht uit te breiden of de inrichting van het gebouw dier school wenscht te veranderen tot den raad dier gemeente een aanvraag kan richten om de voor den verbouw of de verandering van inrichting benoodigde gelden te ontvangen ot het bestaande gebouw te vergrooten.

Wat op bladz. 134 en 135 gezegd is omtrent debevoegdheid om het stichten van een gebouw ook uit andere middelen te bekostigen en omtrent de keuze tusschen het vragen van de benoodigde gelden of het stichten van een gebouw, geldt ook voor dit geval, doch met dit voorbehoud, dat alleen gevraagd kan worden vanwege de gemeente een bestaande school te vergrooten, maar dat voor veranderingen, welke niet betreffen het vergrooten van het bestaande gebouw, alleen de benoodigde gelden gevraagd kunnen

Sluiten