Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

177

Hfdst. VIII § 13

Zooals reeds opgemerkt is, moet voldaan worden aan de artt. 89—96, opdat bijzondere scholen voor vergoeding der kosten van haar instandhouding in aanmerking kunnen komen.

Het is te minder noodig deze vereischten hier uitvoerig te bespreken, daar de noodige gegevens om dit te beslissen niet aan het gemeentebestuur,' maar aan den minister gezonden moeten worden, terwijl volgens het tweede hd van art. 99 de minister en niet het gemeentebestuur beslist of voldaan is aan de eischen en voorwaarden, in de artt. 88—96 en 98 (dit artikel betreft het vervolgonderwijs) gesteld. Deze moet zijn beslissing onverwijld mededeelen aan het bestuur der gemeente, waar het onderwijs is gegeven en aan het bestuur, dat de aanvrage deed.

Ook als de minister beslist, dat willekeurige afwijking van den rooster van lesuren of van het leerplan aanleiding geeft tot geheele of gedeeltelijke inhouding der vergoeding, moet daarvan mededeeling gedaan worden aan het bestuur der gemeente, waar de school is gevestigd. (Art. 90, vijfde lid.)

Volgens art. 96 komen voor vergoeding van de kosten harer instandhouding niet of voor zooveel het onder c hieronder genoemde geval betreft slechts voor een door de Kroon te bepalen gedeelte in aanmerking:

a. scholen voor gewoon lager onderwijs, waarvan het aantal leerlingen van zes jaren en ouder, dat als werkelijk schoolgaande bekend staat, berekend naar den maatstaf van art. 28, zesde lid (zie bladz. 50 en 51), in gemeenten met meer dan 100.000 ingezetenen minder dan 100, en in andere gemeenten minder dan 40 bedraagt, met dien verstande, dat voor een school, welke reeds vergoeding genoot, doch waar het aantal leerlingen beneden onderscheidenlijk 100 of 40 daalt, dat genot gedurende drie achtereenvolgende

jjaren niet op dien grond verloren gaat, mits in geen jaar het aantal daalt beneden onderscheidenlijk £0 of 30;

b. scholen voor uitgebreid lager onderwijs, waarvan het aantal leerIhngen, berekend naar den onder a bedoelden maatstaf in gemeenten met meer dan 100.000 ingezetenen minder dan 40 en in andere gemeenten minder dan 18 bedraagt, met dien verstande, dat voor zulk een school, welke reeds vergoeding genoot, doch waar het aantal leerlingen beneden onderscheidenlijk 40 of 18 daalt, dat genot gedurende drie achtereenvolgende jaren niet fep dien grond verloren gaat, mits in geen jaar het aantal daalt beneden onderscheidenlijk 18 en 12;

c. scholen, waar bij vacature in het onderwijzend personeel tusschen het ontstaan daarvan en de aanvaarding zijner betrekking door den benoemde, een langere tijd verloopt dan, wat betreft het hoofd der school van zes maanden, wat de overige onderwijzers betreft dan van vier Inaanden, behoudens ontheffing bij koninklijk besluit verleend.

Adm. recht III

Bijzondere scholen, welke niet in aanmerking komen voor vergoeding van de kosten harer instandhouding uit de openbare kassen.

Sluiten