Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

179

Hfdst. VIII § 13

van sollicitanten naar de betrekking van onderwijzer tot deze uitgaven; volgens den minister (memorie antwoord, eerste kamer) zijn daartoe ook schoolbioscopen te brengen. Voor zoogenaamde gestichtsgebouwen, zie men bladz. 162.

Deze vergoeding wordt berekend over het gemiddeld getal leerlingen volgens den maatstaf van art. 28, zesde lid, dat wil zeggen, tot grondslag wordt genomen het gemiddelde getal kinderen, berekend naar het aantal, dat op 16 Maart, 16 Juni, 16 September en 16 December van het onmiddellijk voorafgaande jaar als werkelijk schoolgaande bekend stond, dus ook met medetelling van de leerlingen, die nog geen zes jaar waren en bedraagt m gemeenten, die een of meer overeenkomstige openbare scholen1) in stand houden of een gelijke verbetering der bestaande overeenkomstige openbare scholen ingevoerd hebben, per leerling het gemiddeld bedrag per leerling van de kosten over hetzelfde dienstjaar der overeenkomstige openbare lagere scholen in de gemeente, zoodat indien bijv. een bijzondere school 60 leerlingen telt en een overeenkomstige openbare school 180 leerlingen de vergoeding voor de bijzondere school een derde gedeelte der voor de openbare school gemaakte kosten bedraagt, behoudens nadere verrekening van de werkelijk gemaakte kosten, volgens art. 101, laatste lid. (Zie bladz. 183.) Voor gemeenten, waar geen overeenkomstige openbare school bestaat, of waar een gelijke verbetering der bestaande overeenkomstige openbare scholen niet werd ingevoerd, is art. 75 van toepassing. (Tweede en derde lid van art. 101.)

De toepassing van art. 75 kan natuurlijk niet letterlijk worden doorgevoerd, maar zal zooveel mogelijk moeten plaats hebben, aangezien dat artikel geschreven is voor de beslissing op de aanvraag betreffende het oprichten van een schoolgebouw, het verbouwen of het veranderen der inrichting, bovendien houdt het vierde lid van art. 101 een aanvulling van art. 75 in. Deze alinea luidt: „Indien een vraag, als in het derde of vierde lid van dat artikel bedoeld, bij eindbeslissing in ontkennenden zin is beantwoord, wordt de vergoeding per leerling der bijzondere school bepaald op het gemiddeld bedrag per leerling van de kosten over hetzelfde dienstjaar der overeenkomstige openbare lagere scholen in een gelijksoortige gemeente. Deze berekening wordt mede gevolgd, wanneer de gemeente geen iopenbare school voor gewoon lager onderwijs in stand houdt."

Deze voorschriften van het tweede, derde en vierde lid van art. 101 zijn sverre van duidelijk. Het schijnt, dat streng onderscheiden moet worden pisschen de gewone kosten van de instandhouding der scholen en de kosten van verbeteringen, welke als buitengewoon beschouwd moeten worden.

) Voor het begrip „overeenkomstige openbare school" zie men bladz. 189.

Berekening dezer

vergoeding.

Sluiten