Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

187

Hfdst. VIII § 13

De redactie van het derde en het vierde lid van art. 103 is zoodanig, dat, als men die op zichzelf beschouwt, men tot de conclusie moet komen, dat

j hetgeen daar bepaald is, alleen op de vergoeding betreffende de instandhouding der scholen betrekking heeft, doch bij zoo slordige redactie als

l waarvan meerdere artikels der wet blijk geven, mag daaraan niet te groote beteekenis gehecht worden, waar uit het vijfde en zesde lid van dat artikel

■blijkt, dat ook deze wetsbepaling op de bijdrage voor het vervolgonderwijs

Ibetrekking hebben. Art. 100 bevat nog een bepaling, waardoor een gemeentekas ook belast kan worden voor het bijzonder onderwijs. Het artikel luidt: „Indien in een gemeente aan een openbare school meer onderwijzers werkzaam zijn, dan het aantal, waarvan ingevolge art. 56 de jaarwedden door het rijk aan de gemeente worden vergoed, heeft het bestuur eener, | naar de onderscheidingen van art. 3, tweede en vierde lid, overeenkomstige ■bijzondere school in die gemeente aanspraak op vergoeding uit de gemeentei kas van de jaarwedden en wedden van even zooveel aan die scholen verbonden onderwijzers boven het aantal, waarvan de jaarwedden en wedden ingevolge art. 97 door het rijk aan dat bestuur worden vergoed.

Deze vergoeding uit de gemeentekas wordt aan het bestuur der bijzondere school uitgekeerd over het tijdvak gedurende hetwelk aan de openbare school meer onderwijzers werkzaam zijn dan het aantal, waarvan de jaarwedden door het rijk aan de gemeente worden vergoed, en tot twee jaren j daarna.

Binnen dertig vrije dagen, nadat de beslissing van den gemeenteraad op een verzoek om de in dit artikel bedoelde vergoeding ter kennis is gebracht van het schoolbestuur, kan dit bestuur daarvan in beroep komen bij gedeputeerde staten. Het bedrag, waarop het bestuur aanspraak kan maken, wordt alsdan door gedeputeerde staten vastgesteld."

m Op bladz. 86 en 87 is er op gewezen, dat het verplicht aantal onderwijzers berekend wordt naar het gemiddeld aantal leerlingen der school, geene

I uitgezonderd (art. 28), doch dat het rijk slechts vergoedt de jaarwedden van de onderwijzers, die er zouden moeten zijn, als leerlingen beneden zes jaar niet worden medegeteld. Er is daar ook medegedeeld, wat de minister op dezen wantoestand gewezen — heeft geantwoord. Dat deze strijdige

I bepalingen echter niet goed te praten zijn, behoeft geen nader betoog, als men let op de gevolgen, welke daaruit voor de gemeenten bij toepassing van het hierboven weergegeven art. 100 der wet kunnen voortvloeien. Een gemeente, met een groote openbare school kan door art. 28 verplicht zijn *) een onderwijzer aan te stellen, die niet aangesteld zou behoeven te worden

I J) Althans na 31 December 1925; zie bladz. 51.

Bezoldiging van

boventallige onderwijzers uit de

gemeentekas.

Sluiten