Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 13

188

Art. 100 in de praktijk.

indien geen leerlingen beneden 6 jaar voor bet berekenen van het gemiddeld aantal moesten medegeteld zijn. Niet alleen dat de gemeente dezen verplichten onderwijzer geheel uit eigen middelen zal moeten betalen, maar door te voldoen aan een door de wet opgelegden plicht, zal die gemeente ook nog gedwongen kunnen worden aan elk der misschien heel kleine bijzondere scholen een onderwijzer te bekostigen.

De toepassing van art. 100 kon eenige moeilijkheden geven voor gemeenschappelijke scholen. In de gewisselde stukken over de sakriswet (wet van 14 Juli 1919 (st.bl. no. 493), waarin een overeenkomstig artikel (59decies) voorkwam is gezegd, dat in zoodanig geval de bepaling van toepassing zal zijn ten aanzien van de gemeente, waar de school is gelegen.

Indien de gemeenteraad overgaat tot de benoeming van vakonderwijzers aan de openbare scholen, is de gemeente niet verplicht, de jaarwedden van een gelijk aantal vakonderwijzers aan de bijzondere scholen te vergoeden, vermits art. 59decies (thans art. 100) niet op vakonderwijzers van toepassing is 1). . , ,

„In groote gemeenten als Amsterdam kan het geval zich voordoen, dat aan' een openbare school, bijv. voor gewoon lager onderwijs, met een normale klasse-indeeling en dienovereenkomstig aantal onderwijzers door bijzondere omstandigheden - als bijv. het openen van een of meer bijzondere scholen in de nabijheid — het aantal leerlingen dier openbare school daalt en momenteel abnormaal laag is, terwijl het aantal onderwijzers is berekend ~ m^ «rbnolbevolkine. Er zijn dan aan die school meer onder¬

wijzers dan door de gemeente voor rijksvergoeding in rekening kunnen worden gebracht. Indien nu de besturen van alle in die gemeente gevestigde, bijzondere scholen voor gewoon lager onderwijs aan den toestand van die ééne openbare school het recht konden ontleenen om aan hun bijzondere school voor rekening der gemeente een aantal onderwijzers aan te stellen, gelijk aan dat van die tijdelijk minder goed bevolkte openbare school, dan zou dit niet alleen onbillijk, maar ook in strijd zijn met de bedoeling van art 59dedeS (thans art. 100). Die onbillijkheid en die strijd zouden evenzeer, aanwezig zijn, indien een aanvrage om toepassing van dat artikel zou worden r J Joi- k;;,, «ar, &n nnenhare school het aantal leerlingen

areewezen ojy giuuw um uij». • -i- <

abnormaal hoog was, waardoor voor alle daar aanwezige onderwijzers de rijksvergoeding kon worden verkregen. Om deze reden acht de onderj geteekende de regeling, waarbij voor de toepassing van art. 59dec.es (thané art 100) wordt gerekend met het gemiddeld aantal leerlingen per onderwijzer aan alle openbare lagere scholen ter plaatse inderdaad billijk.

*) Mimsterieele circulaire van 2 Februari 1920 no. 984, afdeeling L. O. A.

Sluiten