Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

191 Hfdst. VIII § 14

In art. 5, derde lid, laatste zinsnede, der wet wordt als beginsel voorop

r gesteld, dat indien een gemeente uitgaven doet ten behoeve van het buitengewoon lager bijzonder onderwijs, zij de onderscheidene scholen van de-

I zelfde soort binnen de gemeente op gelijken voet moet behandelen. In de artt. 127 en 128 der wet is het beginsel neergelegd, dat de kosten van de gebouwen en die van instandhouding der scholen voor het bijzonder buitengewoon lager onderwijs van overheidswege worden gedragen, door

t te bepalen, dat het bestuur eener rechtspersoonlijkheid bezittende instelling of vereeniging, welke in een gemeente een buitengewone bijzondere

I school wenscht te vestigen of een bestaande bijzondere school wenscht uit te breiden, aanspraak heeft op vergoeding, hetzij van het rijk, hetzij van de gemeente, hetzij van het rijk en de gemeente te zamen van de kosten wegens stichting of vergrooting van het gebouw voor die school, onder de voorwaarden en volgens de regelen, bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen en dat de kosten van instandhouding van buitengewone bijzondere scholen, hetzij door het rijk, hetzij door de gemeente, hetzij door het rijk en de gemeente te zamen aan de besturen dier scholen worden vergoed onder de voorwaarden en volgens de regelen, eveneens bij algemeenen

[maatregel van bestuur te stellen.

Alleen voor de scholen voor zwakzinnigen zijn dienaangaande regels

Igesteld bij het koninklijk besluit van 31 December 1920 (st.bl. no. 948).

§ 14. Algemeene bepalingen betreffende het middelbaar onderwijs.

In par. 1 is de vraag, wat men onder middelbaar onderwijs te verstaan i |heeft, in het kort besproken. De wet zelf geeft op die vraag geen antwoord. 1 [.Alleen wordt in art. 1 gezegd, dat tot het middelbaar onderwijs worden r gerekend te behooren alle vakken, welke volgens de wet tot regeling van fcdat onderwijs worden onderwezen aan scholen, waarover die wet zich uitstrekt, terwijl art. 11 bepaalt, dat de wet niet toepasselijk is op inrichtingen ivan onderwijs der zee- en landmacht, noch op de onderwijzers bij die innemingen aangesteld.

1 De wet, houdende regeling van het middelbaar onderwijs, is die van

2 Mei 1863 (st.bl. no. 50), gewijzigd bij de wet van 28 Juni 1876 (st.bl. Iio. 143), aangevuld bij die van 25 April 1879 (st.bl. no. 87), opnieuw geIvijzigd bij de invoeringswet van 15 April 1886 (st.bl. no. 64) en bij de Letten van 9 Mei 1890 (st.bl. no. 78), 28 Mei 1901 (st.bl. no. 123), 22 Mei [1905 (st.bl. no. 141), 5 Juni 1905 (st.bl. no. 154), 27 Mei 1907 (st.bl. no.

128), 14 Juni 1909 (st.bl. no. 173), 15 December 1917 (st.bl. no. 700); 26 April 1918 (stbl. no. 267), 4 October 1919 (st.bl. no. 593), 1 Maart

1

* De kosten , van het bijzonder buitengewoon lager

onderwijs.

i

De middelbaar-onderwijswet.

191

Sluiten