Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 15

196

c

V*

Schorsing.

C £ (

Ontslag.

Het pensioen van den directeur en de leeraren.

dat benoeming voor een bepaalden tijd nooit strikt noodzakelijk is; zij bewijst in geenen deele, dat zoodanige benoeming onwettig is

Een directeur of leeraar aan een gemeentelijke middelbare school kan door burgemeester en wethouders voor hoogstens drie maanden worden geschorst. Het besluit tot schorsing bepaalt, of zij geschiedt met behoud, dan wel met gedeeltelijk of geheel verlies der bezoldiging. Burgemeester en wethouders geven zoo spoedig mogelijk rekenschap van hun besluit tot schorsing aan den gemeenteraad. Het geven van rekenschap brengt van zelf mede, dat hij, aan wien ze gegeven wordt, de bevoegdheid heett om er zijn meening over te zeggen, anders zou het voorschrift geen zin hebben. Is de raad van oordeel, dat de schorsing ten onrechte is uitgesproken, dan kan hij ze wel niet vernietigen, dit staat alleen aan burgemeester en wethouders, maar zijn openlijk uitgesproken afkeuring is toch een zedelijke vernietiging. Is schorsing naar het inzien van den inspecteur noodig en zijn burgemeester en wethouders nalatig of weigerachtig .daartoe over te gaan, dan kan de schorsing door gedeputeerde staten geschieden )

De directeur en de leeraren van door gemeenten opgerichte middelbare scholen worden ontslagen door den gemeenteraad, burgemeester en wethouders en den inspecteur gehoord. Is naar het inzien van burgemeester en wethouders of van den inspecteur noodig een van hen te ontslaan en is de gemeenteraad nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan het ontslag door gedeputeerde staten worden verleend. In de memorie van «toelichting werd gezegd, dat de inspecteur, zoo hij schorsing noodig acht, van zijn gevoelen aan burgemeester en wethouders mededeehng zal doen alvorens aan gedeputeerde staten schorsing voor te stellen. Dit ge dt ook voor ontslag. Er behoeft, als deze wenk van de memorie van toelichting wordt opgevolgd, geen vrees, te bestaan voor voorbarige tusschenkomst van gedeputeerde staten. a Volgens art. 2 der wet van 5 Juni 1905 (st.bl. no. 154) tot regeling van de pensioenen van het onderwijzend personeel aan gemeente-hoogere burgerscholen, onverplichte gemeente-burgerscholen en gymnasia gemeentelijke middelbare scholen voor meisjes en gemeentelijke kweekscholen voor onderwijzers en onderwijzeressen, luidt art. 32 der wet op het middelbaar onderwijs: „De directeuren en leeraren der gemeente-hoogere burgerschoj len en der gemeentelijke middelbare scholen voor meisjes worden voor de toepassing der bepalingen omtrent hun pensioen als burgerlijke ambtenaren aangemerkt' .

De bijdragen, ingevolge deze wetsbepaling door de directeuren en leeraren

l) Zie de artt. 29 en 30 der rradddbaar-onderwijswet.

Sluiten